| Physcidia | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Geslacht | ||||||||||||||
| Physcidia Tuck. (1862) | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Physcidia is een geslacht van korstmossen uit de familie Ramalinaceae. De soorten hebben een schubvormig tot klein bladvormig thallus en groeien voornamelijk op boomschors in tropische bossen. Het geslacht werd in 1862 beschreven door de Amerikaanse lichenoloog Edward Tuckerman. De typesoort is Physcidia wrightii.
Het thallus is schubvormig tot bladvormig en kan losjes aan het substraat gehecht zijn. De schubben zijn doorgaans 0,1–1,0 mm breed, terwijl de lobben bij bladvormige soorten ongeveer 1–3 mm breed worden. De bovenkant heeft een duidelijke cortex, terwijl een ondercortex ontbreekt. Een prothallus kan aanwezig zijn, maar ontbreekt bij sommige soorten.
Op het thallus kunnen isidiën voorkomen, die bijdragen aan de vegetatieve voortplanting. Niet alle soorten vormen isidiën. Soralen en sorediën ontbreken. De fotobiont is een eencellige groene alg, die in een doorgaans aaneengesloten laag onder de bovencortex ligt.
De apotheciën zijn zittend en kunnen afzonderlijk of in groepen voorkomen. De schijf is rondachtig, vlak tot bol en varieert van witachtig tot donkerbruin. De apotheciën zijn biatorien of zeorien. Soms wordt de schijf omgeven door thallusweefsel, waardoor de apotheciën een pseudolecanorien uiterlijk krijgen.
De bovencortex is ongeveer 10–50 μm dik. Het merg is meestal goed ontwikkeld en bestaat uit onregelmatig verweven, dikwandige hyfen. De dikte ervan bedraagt ongeveer 60–450 μm.
Het hymenium is kleurloos, ongeveer 20–60 μm hoog en amyloïd. De parafysen zijn ongeveer 1,5–2,5 μm dik en hebben niet of slechts weinig verdikte toppen. De asci zijn knotsvormig en bezitten een duidelijk amyloïde apicaal apparaat. De ascosporen zijn kleurloos, dunwandig en doorgaans langwerpig tot draadvormig. Bij de soorten die in 2009 werden behandeld, meten ze ongeveer 15–40 × 1,2–3,0 μm. Ze zijn ongedeeld of hebben één tot drie dwarssepta.
De pycnidiën zijn ongeveer 0,1–0,3 mm breed en liggen verzonken in het thallus of bevinden zich op kleine wratachtige verhevenheden. De conidiën zijn recht tot gebogen, staafvormig tot draadvormig en meten ongeveer 10–30 × 0,5–1,2 μm.
Physcidia is voornamelijk een tropisch geslacht. De soorten groeien vooral in vochtige tropische bossen, waar zij doorgaans op de schors van bomen voorkomen. Daarnaast kunnen zij groeien op ontschorst hout en over bladmossen heen.
Het geslacht is bekend uit verschillende tropische gebieden, waaronder Zuid-Amerika, Australië en Papoea-Nieuw-Guinea. Physcidia australasica groeit bijvoorbeeld op boomschors in regenwouden van het noordoosten van Queensland en komt ook voor in Papoea-Nieuw-Guinea.
Physcidia striata werd beschreven uit het Braziliaanse Rondônia, waar de soort op gladde boomschors in primair regenwoud werd aangetroffen. De soort is tevens bekend uit Peru.
Het geslacht werd in 1862 door Edward Tuckerman gepubliceerd in Proceedings of the American Academy of Arts and Sciences. De naam is afgeleid van Physcia, een geslacht waarmee Physcidia oppervlakkige overeenkomsten vertoont.
In 1995 publiceerden Klaus Kalb en John A. Elix een taxonomische revisie onder de titel The lichen genus Physcidia. Hierin werden zeven soorten behandeld, waaronder vier nieuw beschreven soorten: Physcidia australasica, Physcidia carassensis, Physcidia matogrossensis en Physcidia neotropica.
In 2014 werd Physcidia striata beschreven door André Aptroot, Marcela Cáceres en Einar Timdal. Deze soort onderscheidt zich onder andere door opstijgende thallusschubben, vaak aanwezige isidiën en relatief kleine ascosporen van (6,2–)7,5–10,0 × (2,5–)3,0–3,5 μm.
De typesoort Physcidia wrightii wordt in Species Fungorum tegenwoordig als synoniem van Anaptychia wrightii behandeld. Ook andere oorspronkelijk in Physcidia geplaatste soorten zijn naar andere geslachten overgebracht. Zo wordt Physcidia cylindrophora tegenwoordig gerekend tot Bacidia als Bacidia cylindrophora.
Volgens Species Fungorum worden de volgende zes soorten binnen het geslacht geaccepteerd (peildatum oktober 2026):
| Soortnaam | Auteur(s) | Publicatiejaar |
|---|---|---|
| Physcidia australasica | Kalb & Elix | 1995 |
| Physcidia carassensis | Kalb & Elix | 1995 |
| Physcidia matogrossensis | Kalb & Elix | 1995 |
| Physcidia neotropica | Kalb & Elix | 1995 |
| Physcidia squamulosa | Tuck. | 1862 |
| Physcidia striata | Aptroot, M. Cáceres & Timdal | 2014 |