Pierre Grimal (Parijs, 21 november 1912 - aldaar, 11 oktober 1996) was een Frans oudhistoricus en latinist. Gepassioneerd door de Romeinse beschaving, deed hij veel ter bevordering van het cultureel erfgoed van het oude Rome, zowel voor specialisten als voor het grote publiek. Hij was gehuwd met schrijfster Claude-Edmonde Magny, wier echte naam Edmonde Vinel was.
Toegelaten tot de École normale supérieure in 1933, waar hij zijn aggregaat voor klassieke talen in 1935 behaalde. Hij was lid van de École française de Rome (1935-1937), en werd vervolgens leerkracht Latijn aan het lyceum van Rennes. Daarna zou hij dertig jaar lang als professor Latijnse taal en cultuur en als hoogleraar Latijnse taal en beschaving aan de faculteiten van Caen, Bordeaux, en ten slotte de Sorbonne zijn verbonden.
Hij publiceerde studies over de Romeinse beschaving, waaronder vele boeken gepubliceerd in de populariserende reeks "Que sais-je", vertalingen van de Latijnse klassieken (Cicero, Seneca, Tacitus, Plautus, Terentius). Tijdens zijn pensioen, publiceerde hij ook biografieën en geromantiseerde historische fictie (Mémoires de T. Pomponius Atticus, Mémoires d' Agrippine, Le procès de Néron), die meer voor het grote publiek waren bestemd.
Aan het eind van zijn leven, voerde hij campagne voor het behoud van de geesteswetenschappen in het secundair onderwijs.
Al de hierna vermeldde werken zijn uitgegeven in Parijs: