Chinese witte den

Chinese witte den
IUCN-status: Niet bedreigd
Chinese witte den
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (planten)
Stam:Embryophyta (landplanten)
Klasse:Spermatopsida (zaadplanten)
Clade:Naaktzadigen
Orde:Coniferales (coniferen)
Familie:Pinaceae (dennenfamilie)
Geslacht:Pinus (den)
Soort
Pinus armandii
Franch. (1884)
Natuurlijk verspreidingsgebied
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Chinese witte den op Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De Chinese witte den (Pinus armandii) is een soort uit de dennenfamilie (Pinaceae). De Chinese den komt van nature voor in China, van het zuiden van Shanxi in westelijke richting tot in het zuiden van Gansu en in zuidelijke richting tot in Yunnan, met geïsoleerde populaties in Anhui en op Taiwan. Op Taiwan groeit de boom op hoogtes van 2200 tot 3000 meter, en het verspreidingsgebied strekt zich ook een klein stukje uit tot in het noorden van Myanmar.

In Nederland staat de Chinese witte in het Pinetum De Dennenhorst, Lunteren, Landgoed Schovenhorst, Putten en Pinetum De Belten, Vorden.

Beschrijving

De Chinese witte den groeit als een groenblijvende boom en bereikt een hoogte van 30 tot 35 meter. De stam bereikt op borsthoogte een diameter tot 100 centimeter. De bast is grijs of purpergrijs; aanvankelijk glad, maar bij oudere bomen uiteenvallend in grote, min of meer rechthoekige platen. De takken van jonge bomen groeien in schijnkransen en vormen een kegelvormige kroon, die bij oudere bomen zich verbreedt tot een ronde, open kroon. De twijgen die naalden dragen zijn glad. Jonge scheuten zijn kaal – aanvankelijk groen, grijsgroen of grijsbruin – en hebben soms een blauwgroene waas; later kleuren ze bruin.

De vegetatieve knoppen zijn cilindervormig en enigszins harsachtig. Eindknoppen zijn 10 tot 15 millimeter lang, terwijl zijknoppen kleiner en duidelijker eivormig zijn. De naalden groeien gewoonlijk in bundels van vijf (zelden zes of zeven) binnen een schede van tere schubben aan de basis, die vroeg afvalt; deze schede is 2 tot 7 millimeter lang. De naalden zijn donkergroen, afstaand of hangend, dun en flexibel, met een verdikte basis, en vaak gekromd nabij de basis. Ze variëren in lengte van meestal 8 tot 14 centimeter en zijn 1,0 tot 1,5 millimeter breed, met een driehoekige doorsnede. Alleen de twee naar de as toe gerichte zijden (adaxiale zijden) hebben dunne lijnen bestaande uit huidmondjes. Er worden gewoonlijk drie – zelden twee of tot zeven – harskanalen gevormd. De naalden blijven twee tot drie jaar aan de boom zitten.

De mannelijke kegels (stuifmeelkegels) groeien in spiraalsgewijs gerangschikte, langwerpige trossen aan de basis van jonge scheuten. Ze zijn groenwit met een roodachtige top, cilindervormig tot eivormig-ellipsoïde, gewoonlijk 1,5 tot 2,5 (zelden tot 3) centimeter lang, en kunnen zowel slank als robuust zijn. De vrouwelijke kegels (zaadkegels) groeien solitair of in paren. Aanvankelijk groen en rechtopstaand, worden ze later min of meer hangend. Ze zitten aan stevige, gekromde stelen van 2 tot 3 centimeter lang. De kegels zijn vaak harsachtig, kegelvormig-cilindrisch en 8 tot 14 centimeter lang. In geopende toestand hebben ze een diameter van 5 tot 8 centimeter en kleuren ze in diverse bruintinten. De 70 tot 100 zaadschubben zijn houtig en stijf, 3 tot 4 centimeter lang en 2,5 tot 3,0 centimeter breed; met uitzondering van de schubben aan de basis van de kegel buigen ze licht naar binnen. Aan de naar de as toe gerichte zijde (adaxiaal) van de basis bevinden zich twee holten waarin de zaden liggen. De apofyse is ruitvormig of driehoekig, vaak dik en houtig, lichtgeelbruin of donkerroodbruin van kleur, en heeft een rechte of licht teruggebogen rand. De umbo bevindt zich aan de top van de apofyse en is onopvallend en stomp.

De zaden variëren in kleur van licht- of donkerbruin tot zwart; ze zijn omgekeerd eivormig, 10 tot 15 millimeter lang en 6 tot 10 millimeter breed. Ze zijn vleugelloos of hebben een smalle richel langs de van de as afgekeerde rand (abaxiaal). Slechts zelden wordt een rudimentaire zaadvleugel gevormd, met een lengte van 1 tot 4 (soms tot 7) millimeter.

Gepelde zaden

Gebruik

De zaden worden verkocht als pijnboompitten. Het hout wordt gebruikt voor algemene bouwdoeleinden; de soort is van belang voor bosbouwplantages in bepaalde delen van China. Daarnaast wordt de boom in Europa en Noord-Amerika als sierboom aangeplant in parken en grote tuinen.

Taxonomie en onderzoeksgeschiedenis

Er worden drie variëteiten onderscheiden:

James E. Eckenwalder onderscheidt nog twee andere variëteiten: Pinus armandii var. amamiana (G. Koidzu) Hatusima en Pinus armandii var. fenzeliana (Handel-Mazzetti) Eckenwalder[17] – tot de soort Pinus armandii, terwijl Aljos Farjon ze classificeert als afzonderlijke soorten: Pinus amamiana en Pinus fenzeliana. Eckenwalder baseert deze indeling op de overeenkomsten in hun verspreidingsgebieden en morfologische kenmerken, zoals de vergelijkbare structuur van de vrouwelijke kegels en de vleugelloze of slechts zwak gevleugelde zaden.