| Taiwanese rode den IUCN-status: Niet bedreigd | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Pinus taiwanensis Hayata (1911) | ||||||||||||||
| Natuurlijk verspreidingsgebied | ||||||||||||||
| Jonge boom | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De Taiwanese rode den (Pinus taiwanensis, synoniem: Pinus taiwanensis var. fragilissima (Wulu-den)) is een soort uit de dennenfamilie (Pinaceae), die van nature voorkomt in Taiwan.
De Taiwanese rode den is een groenblijvende boom die een hoogte van wel 45, soms zelfs 50 meter bereikt. De stam, die recht of min of meer gedraaid is, heeft een diameter tot 120 centimeter. De bast is grijsbruin tot donkergrijs, ruw en schilferig, en breekt in grote platen uiteen. De kroon is breed eivormig en krijgt later een parapluvorm. De hoofdtakken zijn lang en groeien horizontaal, maar worden na verloop van tijd korter, waardoor er slechts stompen overblijven. Takken van hogere orde staan schuin omhoog gericht en staan dicht opeen. De bast van de twijgen met naalden is kaal, min of meer glad en lichtbruin.
De winterknoppen zijn roodbruin, eivormig-kegelvormig en licht harsachtig; ze zijn 10 tot 15 millimeter lang en hebben een diameter van 5 tot 7 millimeter. De knopschubben liggen aangedrukt tegen de knop en zijn oranje, roestbruin, witgerand of volledig wit van kleur. De naalden staan in paren bijeen in een blijvende, dunne schede aan de basis, die 10 tot 15 millimeter lang is. De naalden zijn recht of licht gebogen; ze variëren in lengte van 5 tot 22 centimeter (meestal 10 tot 20 cm) en zijn 0,7 tot 1 millimeter dik, met een halfronde doorsnede; ze zijn dun, buigzaam en licht gedraaid, met fijn gezaagde randen en een spitse punt. Elke naald bevat twee tot zeven (soms acht) harskanalen die zich in het midden of, zelden, vlak onder het oppervlak bevinden. Aan alle zijden van de naalden zijn dunne lijntjes van huidmondjes zichtbaar.
De mannelijke kegels (stuifmeelkegels) groeien in spiraalsgewijs gerangschikte trossen. Ze zijn kort-cilindervormig, 1,5 tot 2 centimeter lang en hebben een diameter van 3 tot 4 millimeter; aanvankelijk zijn ze geel, later verkleuren ze naar geelbruin. De vrouwelijke kegels (zaadkegels) groeien solitair of soms in paren op korte steeltjes en blijven meerdere jaren aan de boom hangen. Deze kegels zijn lichtbruin tot chocoladebruin, glanzend en min of meer asymmetrisch; ze variëren in lengte van 3 tot 10 centimeter (meestal 4 tot 9 cm), zijn in gesloten toestand smal eivormig en hebben in geopende toestand een diameter van 2,5 tot 5 centimeter. De zaadschubben zijn matbruin, dun-houtig, stijf, langwerpig en recht; de schubben in het midden van de kegel zijn ongeveer 2 centimeter lang en 1,3 centimeter breed. De apofyse is glanzend bruin, vlak tot licht verheven, heeft een ruitvormige of afgeronde omtrek, is licht gerimpeld en voorzien van een dwarsliggende kiel. De umbo is breed-ellipsoïde, vlak en al dan niet voorzien van een klein, afvallend stekeltje.
De zaden zijn ellipsoïde-eivormig, 5 tot 6 millimeter lang, 2,6 tot 3,4 millimeter breed (exclusief de vleugel) en enigszins afgeplat. De vleugel is 15 tot 20 millimeter lang, 5 tot 6 millimeter breed en valt niet af.
De bestuiving vindt plaats in april en mei en de kegels rijpen in oktober van het tweede jaar.
Pinus taiwanensis is de Taiwanese vertegenwoordiger van een groep van drie nauw verwante taxa: Pinus taiwanensis uit Taiwan, Pinus luchuensis uit Japan en Pinus hwangshanensis uit het vasteland van China. Verwijzingen naar P. taiwanensis op het vasteland van China hebben betrekking op P. hwangshanensis. De drie taxa lijken morfologisch op elkaar maar zijn wel onderscheidend; ze worden door The Gymnosperm Database als aparte soorten behandeld, hoewel ze ook als ondersoorten van P. luchuensis zouden kunnen worden beschouwd. Er worden van Pinus taiwanensis twee of drie variëteiten onderscheiden:
De wulu-den is endemisch voor Taiwan. Het bekende verspreidingsgebied ligt in het bergachtige zuidoosten van het eiland, onder andere rond Taitung en Wulu (Wulu Gorge). Het type-exemplaar werd verzameld ongeveer 1 km ten noorden van Wulu Village op circa 930 m hoogte.
Pinus fragilissima werd oorspronkelijk door Businsky in 2003 als soort onderscheiden, maar is later door onder andere Farjon behandeld als Pinus taiwanensis var. fragilissima. Var. fragilissima heeft naalden van 16–20 cm en zaadkegels van 6–9 cm met iets dunnere zaadschubben.
De naam Pinus fragilissima wordt echter nog steeds als geldige soortnaam in verschillende taxonomische databanken aangetroffen, waaronder NCBI, terwijl andere bronnen hem infraspecifiek onder Pinus taiwanensis plaatsen.