Khasi-den

Khasi-den
IUCN-status: Niet bedreigd
Khasi-den
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (planten)
Stam:Embryophyta (landplanten)
Klasse:Spermatopsida (zaadplanten)
Clade:Naaktzadigen
Orde:Coniferales (coniferen)
Familie:Pinaceae (dennenfamilie)
Geslacht:Pinus (den)
Soort
Pinus kesiya
Royle ex Gordon (1840)
Natuurlijk verspreidingsgebied (Pinus insularis is Pinus kesiya)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Khasi-den op Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De khasi-den (Pinus kesiya) is een soort uit de dennenfamilie (Pinaceae). Het verspreidingsgebied strekt zich uit in zuidelijke en oostelijke richting, van de Khasiheuvels in de noordoost-Indiase staat Meghalaya tot aan Birma, Noord-Thailand, Cambodja, Laos, het uiterste zuiden van China, Vietnam en de Filipijnen. Elders in de wereld, waaronder in Zuidelijk Afrika, Zuid-Amerika en Australië, is het een belangrijke soort voor de bosbouw.

De khasi-den groeit zowel solitair in savannes als in zuivere bestanden met een vrijwel gesloten bladerdak, en langs rivierlopen in gemengde bossen samen met soorten als Quercus serrata en Alnus nepalensis. In noordoostelijk India, Myanmar en Thailand groeit de soort in drogere omgevingen op hoogtes variërend van 800 tot 1.500 meter – en soms tot wel 2.000 meter. Meer naar het oosten – in Laos, Vietnam en op Luzon – komt de soort voor in aanzienlijk nattere omgevingen op hoogtes tot 2.700 à 3.000 meter. Hoewel het een tropische soort is, gedijt hij niet in hete, vochtige laaglanden; de soort heeft behoefte aan seizoensgebonden regenval. Desondanks komen er regelmatig branden voor, waardoor open, door gras gedomineerde savannes ontstaan die worden gekenmerkt door verspreide bosjes en solitaire bomen. Het is een pioniersoort, vooral in gebieden waar brand een rol heeft gespeeld bij het vernietigen van de bestaande vegetatie. De soort groeit doorgaans op zand- en leemgronden die zijn ontstaan uit zandsteen en kwartsiet.

Beschrijving

De khasi-den is een groenblijvende boom die een hoogte van 30 tot 35 meter bereikt, of in zeldzame gevallen tot 45 meter. De boom heeft vaak een zuilvormige groeiwijze. De stam is recht en bereikt een diameter tot 1 meter. De bast is bruin – verkleurend naar grijsbruin – dik, ruw en schilferend; ze is diep gegroefd en verdeeld in platen. De takken groeien horizontaal; ze zijn meestal krom en worden na verloop van tijd korter, waardoor een koepelvormige kroon ontstaat. Twijgen met naalden zijn slank; aanvankelijk ruw door bladkussentjes, wordt de bast na het tweede of derde jaar min of meer glad en glanzend geelbruin, om later donkerder te worden tot oranjebruin. Jonge twijgen vertonen in het eerste jaar twee of meer knopen.

De winterknoppen zijn roodbruin, klein, kegelvormig en bevatten geen of slechts weinig hars. De knopschubben zijn roodbruin. De naalden groeien in bundels van drie, bijeengehouden door een blijvende schede aan de basis van 15 tot 20 millimeter lang. De naalden zijn donkergroen[3] en hebben een driehoekige doorsnede; ze zijn slank en zacht tot buigzaam, variërend in lengte van 10 (zelden) tot 12–22 (meestal) of zelfs 25 centimeter, en 0,5 tot 0,7 (soms tot 1,0) millimeter breed, met fijn gezaagde randen en lange, toelopende punten. Op elk vlak van de naald zijn fijne lijntjes bestaande uit huidmondjes zichtbaar. Elke naald bevat drie tot zes harskanalen. De naalden blijven drie tot vier jaar aan de boom zitten.

De mannelijke kegels (stuifmeelkegels) zijn geel, kort en cilindervormig, en groeien in spiraalsgewijs gerangschikte trossen aan de basis van jonge scheuten. De vrouwelijke kegels groeien afzonderlijk of in paren – zelden in drietallen – en blijven meerdere jaren aan de boom zitten. Ze hebben korte stelen en staan horizontaal of gebogen. De kegels zijn 4,5 tot 7 (zelden 8) centimeter lang; in gesloten toestand zijn ze smal eivormig-kegelvormig, en in geopende toestand eivormig tot min of meer rond, met een diameter van 3 tot 4 (zelden tot 5,5) centimeter. De zaadschubben zijn donkerbruin, houtachtig en stijf; in geopende toestand zijn ze min of meer teruggebogen, smal langwerpig, 2,5 tot 3 centimeter lang en 1 tot 1,5 centimeter breed. De apofyse is lichtbruin, duidelijk verheven en min of meer piramidevormig, met een onregelmatig ruitvormige omtrek en een dwarsliggende kiel. De umbo is klein, ellipsoïde of althans uitstekend, en voorzien van een zeer klein, blijvend stekeltje.

De donkerbruine tot bijna zwarte zaden zijn ellipsoïde en enigszins afgeplat, met een lengte van 5 tot 7 (zelden 8) millimeter. De vleugel is 15 tot 20 millimeter lang, 6 tot 8 millimeter breed en blijft aan het zaad zitten.

De bestuiving vindt plaats in april en mei en de vrouwelijke kegels rijpen ongeveer twee jaar na de bestuiving.

Gebruik

De khasi-den is een belangrijke bron van hout in Zuidoost-Azië en wordt ook buiten zijn natuurlijke verspreidingsgebied aangeplant voor bosbouwdoeleinden, in landen verspreid over Afrika, Zuid-Amerika en Oceanië (waaronder Australië). De bomen groeien snel en het hout wordt voornamelijk gebruikt voor de productie van pulp en papier. In India werd de soort veelvuldig gebruikt voor de productie van houtskool, al neemt het belang van deze praktijk af. Daarnaast wordt het hout verwerkt tot rondhout en gebruikt voor constructiehout, vloerdelen, multiplex en meubels. Op de Filipijnen worden koffieplantages vaak aangelegd onder natuurlijke bestanden van de khasi-den. Hoewel de hars van hoge kwaliteit is, is de winning ervan lastig, waardoor deze van gering economisch belang is. De soort wordt zelden als sierplant gebruikt en is beperkt tot enkele arboreta en botanische tuinen. Op de Filipijnen wordt de boom gebruikt als kerstboom.

Taxonomie

Pinus kesiya werd voor het eerst geldig beschreven in 1840 door George Gordon (1806–1879) in *Gardeners' Magazine* (Londen, deel 16, p. 8), op basis van een beschrijving van John Forbes Royle die echter niet voldeed aan de vereisten voor een formele wetenschappelijke beschrijving.[5][7] Het soortepitheton kesiya verwijst naar de Khasi-heuvels in Noordoost-India, waar de soort voor het eerst door Royle werd verzameld. Hoewel de spelling lange tijd onderwerp van discussie was, is de door John Forbes Royle (1798–1858) gekozen spelling de geldige volgens de botanische nomenclatuur.

Synoniemen voor Pinus kesiya Royle ex Gordon zijn onder meer: Pinus insularis Endl., Pinus khasya Hook. f. orth. var.,[5] en Pinus insularis var. khasyana (Griff.) Silba.

Er worden twee variëteiten van Pinus kesiya Royle ex Gordon onderscheiden: