| Guangdong witte den IUCN-status: Bedreigd | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Boom in de Kunming Botanische Tuin, Kunming, Yunnan, China | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Pinus wangii (1948) | ||||||||||||||
| Natuurlijk verspreidingsgebied | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De guangdong witte den (Pinus wangii) is een soort uit de dennenfamilie (Pinaceae), die van nature voorkomt in het zuidoosten van de Chinese provincie Yunnan, specifiek in de districten Malipo en Xichou, en het gebied strekt zich waarschijnlijk uit tot Mai Châu in Vietnam. De bomen staan op een kalkstenen ondergrond, waar ze sporadisch voorkomt op steile hellingen en bergkammen. De guangdong witte den groeit doorgaans op hoogtes tussen de 500 en 1800 meter. Het verspreidingsgebied valt binnen de hardheidszone 8, die wordt gekenmerkt door gemiddelde jaarlijkse minimumtemperaturen van −12,1 tot −6,7 °C. Er zijn slechts van vier locaties bekend, waarvan er drie dicht bij elkaar liggen. De populaties blijven afnemen door de aanhoudende kap van bomen. De soort is vernoemd naar de hoogleraar bosgenetica dr. Shao-Ping Wang.
De guangdong witte den is een groenblijvende boom en kan een hoogte van 20 meter bereiken. De stam kan op borsthoogte een diameter van wel 60 centimeter krijgen. Bij jonge bomen is de bast van de stam en de takken glad en dun. Bij oudere bomen wordt deze bruin, donkerbruin of grijsbruin, schilferig en bladdert af. De takken spreiden zich wijd uit en vormen een brede, parapluvormige of onregelmatige kroon met een platte bovenkant. De twijgen met naalden zijn slank en glad en in het jonge stadium een blauwachtige waas hebben. Ze zijn aanvankelijk donkerroodbruin en dicht bezet met fijne, zachte haartjes; in het tweede of derde jaar worden ze grijsbruin en kaal, al kunnen er in de groeven van de schors nog wat restjes beharing achterblijven.
De vegetatieve knoppen zijn bruin, eivormig tot cilindrisch en hebben geen of weinig hars. De knopschubben hebben een bruine kleur. De driehoekige naalden staan in bundels van vijf (zelden twee tot vier) en hebben een schede van tere, bruine schubben die al vroeg afvalt. De naalden zijn vaak gedraaid, staan uitgespreid of zijn licht gebogen richting de twijg; ze zijn buigzaam, 2,5 tot 6 centimeter lang en 1 tot 1,5 millimeter breed. Ze hebben een spitse top. De randen van de naalden zijn zeer fijn gezaagd. De groene naalden hebben lijnen bestaande uit huidmondjes op de naar binnen gerichte (adaxiale) zijde. Ze hebben drie harskanalen.
De mannelijke kegels (stuifmeelkegels) groeien in kleine groepjes en hebben een kort-cilindrische vorm. De vrouwelijke, licht harsachtige kegels (zaadkegels) groeien afzonderlijk of in kransen van twee tot drie aan de basis van de takken en zitten op slanke tot matig dikke stelen van 0,5 tot 2,5 centimeter lang. Ze variëren in grootte en vorm, van klein en eivormig tot lang en cilindrisch; aanvankelijk staan ze rechtop, maar later buigen ze naar beneden of gaan ze hangen. Ze zijn doorgaans 4 tot 10 centimeter lang – soms tot wel 15 centimeter – en hebben een diameter van 2 tot 6,5 centimeter. Rijpe kegels zijn geelbruin of donkerbruin en verkleuren naar grijsbruin en kunnen afvallen of nog enkele jaren aan de boom blijven zitten. De zaadschubben hebben een zachte, houtachtige textuur en zijn aan de basis min of meer buigzaam; ze zijn wigvormig tot langwerpig, 2 tot 3 centimeter lang en 1,5 tot 2 centimeter breed. De geelbruine apofyse is ruitvormig – of, nabij de basis en de top van de kegel, meer langwerpig – en kan gebogen of vrij recht zijn. De punt is dun en licht naar binnen gebogen of, minder vaak, naar buiten gebogen. De donkerbruine tot zwarte umbo is klein en ingezonken of stomp. De zaden zijn lichtbruin[2], omgekeerd eivormig of elliptisch, 8 tot 10 millimeter lang en ongeveer 6 millimeter breed. De lichtbruine vleugel is ongeveer 16 millimeter lang en 7 millimeter breed.
Het hout van de guangdong witte den wordt lokaal gebruikt als timmerhout, voor de bouw van bruggen en voor de vervaardiging van meubels. Enkele exemplaren – meestal jonge bomen – zijn te vinden in botanische tuinen in China, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten.
De Flora of China erkent Pinus wangii als een afzonderlijke soort. In Zuidwest-China en Vietnam komen diverse nauw verwante dennensoorten voor, waaronder Pinus fenzeliana en Pinus dalatensis. Hu Xiansu en Zheng Wanjun wezen op overeenkomsten met Pinus parviflora uit Japan; de twee soorten worden echter niet langer als zeer nauw verwant beschouwd. Desondanks classificeert James E. Eckenwalder deze exemplaren als een variëteit van Pinus parviflora, namelijk Pinus parviflora var. wangii. Er zijn geen andere synoniemen van de soort bekend.[11] Volgens de Flora of China zouden de populaties in Vietnam in werkelijkheid tot de soort Pinus dalatensis Ferré kunnen behoren.
Pinus wangii subsp. kwangtungensis (Chun ex Tsiang) Businský wordt niet langer tot Pinus wangii Hu & W.C.Cheng gerekend; het wordt nu beschouwd als een synoniem van Pinus fenzeliana Hand.-Mazz.
Pinus wangii vertoont gelijkenissen met Pinus fenzeliana, maar is daarvan te onderscheiden door de lengte van de naalden, de iets kleinere kegels, en de kleur en beharing van de eenjarige twijgen.