| Japanse witte den IUCN-status: Niet bedreigd | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Pinus parviflora Siebold & Zucc. (1842) | ||||||||||||||
| Natuurlijk verspreidingsgebied | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Japanse witte den (Pinus parviflora) is een soort uit de dennenfamilie (Pinaceae). Ze werd in 1846 in Europa geïntroduceerd. Enkele cultivars zijn: 'Glauca', 'Negishi', 'Fukusumi', 'Adcock's Dwarf' en 'Schoon's Bonsai'.
In zijn natuurlijke verspreidingsgebied groeit deze soort uit tot een boom van 15 tot 25 meter hoog, met een brede, dichte en kegelvormige kroon. Bij oudere bomen vlakt de kroon aan de bovenzijde af en krijgt deze een onregelmatige vorm. Buiten zijn natuurlijke habitat bereikt de Japanse witte den doorgaans een hoogte van slechts 6 tot 8 meter. De gladde bast van jonge bomen is glanzend grijs tot grijsbruin. Bij oudere bomen wordt de bast matgrijs, vertoont deze de voor dennen kenmerkende verticale groeven en schilfert hij af in schubben. Jonge takken variëren van grijsgroen tot geelbruin en zijn fijn behaard of kaal. Afhankelijk van de cultivar variëren de naalden van blauwgroen tot blauwgrijs; ze zijn 5 tot 6 cm lang en 0,7-0,9 mm breed en staan in bundels van vijf. Op de onderzijde zitten witte lijnen met witte huidmondjes. Ze hebben een vaatbundel. De bladschede aan de voet valt af. De winterknoppen zijn eivormig en hebben geen hars.
De Japanse witte den is eenhuizig, wat betekent dat zowel mannelijke als vrouwelijke kegels aan dezelfde boom voorkomen. De mannelijke kegels zitten aan de basis van jonge langloten – in de oksels van schubbladeren – en niet op de kortloten met naalden.
De mannelijke kegels zijn roze, ongeveer 7 mm lang en staan langs de jonge takken die in datzelfde voorjaar zijn gevormd. Ze bestuiven de vrouwelijke kegels op andere bomen via de wind.
De vrouwelijke kegels, 2 tot 3 cm lang en 3,5–4,5 cm breed, staan in kransen aan de uiteinden van jonge takken en zien er vóór de bestuiving rood uit. Ze zijn bijna zittend. Na bestuiving duurt het twee jaar voordat de zaden vrijkomen. De bevruchte, eivormige kegels zijn 4 tot 7 cm lang; ze zijn aanvankelijk groenbruin en later bruin, en hebben brede, afgeronde 2–3 cm lange en 1,8–2 cm brede schubben. De apofyse is lichtbruin of doofgrijsbruin, bijna ruitvormig en de umbo is verzonken met aan de top een teruggebogen rand. De bruine, omgekeerd eivormige zaden hebben zwarte vlekken, zijn 8 tot 11 mm lang en 7 mm breed. Ze hebben een 2 tot 10 mm lange vleugel.
Het natuurlijke verspreidingsgebied van Japanse witte den omvat Japan, Korea en de Koerilen.