Vietnamese witte den

Vietnamese witte den
IUCN-status: Gevoelig
Vrouwelijke kegel
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (planten)
Stam:Embryophyta (landplanten)
Klasse:Spermatopsida (zaadplanten)
Clade:Naaktzadigen
Orde:Coniferales (coniferen)
Familie:Pinaceae (dennenfamilie)
Geslacht:Pinus (den)
Soort
Pinus dalatensis
Ferré (1960)
Natuurlijk verspreidingsgebied
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Vietnamese witte den op Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De Vietnamese witte den (Pinus dalatensis, synoniem: Pinus wallichiana var. dalatensis) is een soort uit de dennenfamilie (Pinaceae), die van nature voorkomt in Indochina. In Vietnam groeit de soort in de bergen van het centrale en zuid-centrale deel van het land, op hoogtes van 1400 tot 2300 meter. De populatie in het Nationaal park Nakai-Nam Theun is de grootste, de noordelijkste en die op de laagste hoogte van alle bekende populaties van de Vietnamese witte den.

Beschrijving

Stam

De Vietnamese witte den groeit als een groenblijvende boom die doorgaans een hoogte van 30 meter bereikt, en in zeldzame gevallen tot 40 meter. De stam is recht en zuilvormig, met een diameter op borsthoogte van maximaal 2 meter – of, in zeldzame gevallen, tot 2,5 meter. De bast is aanvankelijk glad en roodbruin, maar wordt later ruw en schilferig, waarbij deze uiteenvalt in kleine, grijsbruine platen. De takken hebben een gladde bast, staan wijd uiteen en worden na verloop van tijd korter. De kroon is aanvankelijk kegelvormig, maar krijgt bij oudere bomen een brede koepel- of parapluvorm. De twijgen met naalden zijn slank en glad. Jonge scheuten zijn kaal of behaard; ze zijn in het begin vaak blauwgroen of berijpt (bedekt met een wasachtig laagje) en kleuren later lichtbruin tot roodbruin.

De vegetatieve knoppen zijn klein – 6 tot 12 millimeter lang –, kegelvormig of eivormig, puntig en niet bedekt met hars. De knopschubben liggen aangedrukt tegen de knop en zijn oranjebruin. De naalden staan in bundels van vijf en ontspringen uit een schede aan de basis die 1 tot 1,5 millimeter lang is en vroeg afvalt. De naalden zijn groen of blauwgroen, recht (niet hangend), dun en buigzaam; ze variëren in lengte van 3 (zelden) tot 14 centimeter – meestal 5 tot 10 centimeter – en zijn 0,6 tot 1 (zelden tot 1,2) millimeter breed. De randen van de naalden zijn doorgaans zeer fijn gezaagd en de punten zijn scherp. De twee naar de as toe gerichte zijden (adaxiale zijden) vertonen fijne lijnen van huidmondjes. Er zijn twee harskanalen aanwezig. De naalden blijven twee tot drie jaar aan de boom zitten.

De mannelijke kegels (stuifmeelkegels) groeien in kleine, spiraalsgewijs gerangschikte trossen aan de basis van jonge scheuten. Ze zijn 20 millimeter lang, geel en eivormig tot kort-cilindervormig van vorm. De vrouwelijke kegels (zaadkegels) groeien afzonderlijk of in kransen van twee of drie op stevige, geschubde stelen van 1 tot 4 centimeter lang; ze staan aanvankelijk rechtop, maar hangen omlaag wanneer ze volledig rijp zijn. Ze zijn eerst groen en kleuren bij het rijpen mat- of glanzend bruin en worden met hars bedekt. De grootte van de kegels varieert aanzienlijk; ze variëren in lengte van 6 tot 23 centimeter, zijn cilindervormig of ellipsoïde, recht of gekromd, en hebben een breedte van 5 tot 9 centimeter wanneer ze geopend zijn. De kegels gaan wijd open, maar vallen pas enige tijd nadat zaden zijn vrijgekomen van de boom (inclusief steel). Het aantal zaadschubben hangt af van de grootte van de kegel; Eckenwalder schat het aantal op ongeveer 75. De zaadschubben zijn plat of bootvormig, dun-houtig en buigzaam. De onderste schubben liggen aangedrukt; slechts enkele ervan zijn naar achteren omgebogen. De apofyse is groot, dun of slechts licht verdikt, min of meer ruitvormig van omtrek of met een afgeronde bovenrand (distale rand); ze is recht of licht naar binnen gebogen en vertoont strepen of groeven in de richting van de umbo. De umbo is terminaal gelegen; deze is ruitvormig, 4 tot 10 millimeter breed en ligt verzonken, is vlak of steekt stomp uit.

De zaden – en vooral de vleugels – variëren in grootte op vergelijkbare wijze als de zaadschubben. De zaden zijn tot 8 à 10 millimeter lang. De vleugel is 20 tot 30 millimeter lang, 10 millimeter breed en vertoont vaak donkere lengtestrepen.

Taxonomie

Pinus dalatensis is een soort binnen het geslacht Pinus (den). De soort werd voor het eerst beschreven door Yvette de Ferré in 1960. De geslachtsnaam Pinus werd door de Romeinen al gebruikt voor diverse dennensoorten. Het soortaanduidende epitheton dalatensis verwijst naar de stad Đà Lạt, in de nabijheid waarvan de eerste exemplaren werden gevonden. John Silba classificeerde het taxon als een variëteit van de tranenden (Pinus wallichiana) onder de naam Pinus wallichiana var. dalatensis (Ferré) Silba; deze naam wordt echter slechts als synoniem gebruikt. Pinus dalatensis is een zeer variabele soort. De volgende ondersoorten worden onderscheiden:

Sinds 2014 wordt er een extra variëteit erkend: