| Riet Drop | ||||
|---|---|---|---|---|
| Persoonlijke gegevens | ||||
| Volledige naam | prof. dr. M.J. Drop | |||
| Geboortedatum | 26 juni 1935 | |||
| Geboorteplaats | Den Haag | |||
| Overlijdensdatum | 3 november 2002 | |||
| Overlijdensplaats | Maastricht? | |||
| Nationaliteit | ||||
| Beroep | socioloog, hoogleraar | |||
| Academische achtergrond | ||||
| Alma mater | Rijksuniversiteit Leiden, Rijksuniversiteit Limburg | |||
| Promotor | Hans Philipsen | |||
| Wetenschappelijk werk | ||||
| Soort hoogleraar | gewoon hoogleraar | |||
| Functies | ||||
| 1975-1980 | universitair (hoofd)docent Rijksuniversiteit Limburg (RL) | |||
| 1980-1998 | hoogleraar RL/UM | |||
| 1998-2002 | honorair hoogleraar UM | |||
| ||||
Maria Johanna ("Riet") Drop (Den Haag, 26 juni 1935 − Maastricht?, 3 november 2002) was een Nederlands socioloog en hoogleraar. Drop was de eerste vrouwelijke hoogleraar aan de Universiteit Maastricht, tot 1996 Rijksuniversiteit Limburg geheten, en geldt als een van de pioniers van de medische faculteit van die universiteit.
Riet Drop groeide op in een gereformeerd middenstandsgezin in het Transvaalkwartier in Den Haag. Ze was het tweede kind van Louisa Maria Meijer en Cornelis Drop. Haar vader was bakker in een broodfabriek, later afdelingschef in dezelfde fabriek. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij betrokken bij het verzet. Tegen het einde van de oorlog werd hij opgepakt en in Kamp Amersfoort gefusilleerd als represaille voor de aanslag op de Duitse SS-officier Hanns Albin Rauter. Als kind was ze naar eigen zeggen een einzelgänger en binnenvetter. Gestimuleerd door haar moeder verslond ze het ene boek na het andere.
In 1954 behaalde Drop haar diploma hbs-a, geen gymnasium, omdat dat voor een meisje uit haar milieu buiten het gezichtsveld lag, zoals ze vele jaren later in een interview stelde. Daarna werkte ze enige tijd als typiste bij de BVD. Met een toelage van de Stichting 1940-1945 − die haar in 1954 nog geweigerd was wegens "ongeschiktheid voor enige universitaire studie" − begon ze in 1956 aan een studie sociologie aan de Rijksuniversiteit Leiden. In 1960 behaalde ze haar kandidaatsexamen. Ze woonde toen nog in Den Haag. In 1964 studeerde ze cum laude af. Na een reis door Afrika, was ze vanaf 1967 als wetenschappelijk hoofdmedewerker verbonden aan het Nederlands Instituut voor Praeventieve Geneeskunde (TNO-NIPG) in Leiden, waar ze de socioloog Hans Philipsen leerde kennen. Door hem kwam ze in Maastricht terecht.
In 1975 werd ze universitair hoofddocent aan de toen nog in oprichting zijnde Rijksuniversiteit Limburg (RL). In 1979 promoveerde ze aan dezelfde universiteit. Ze werkte nauw samen met haar promotor, de medisch socioloog Hans Philipsen, die haar een "toonbeeld van integriteit, beter nog, rechtschapenheid" noemde. Op 6 juni 1980 werd ze aangesteld als hoogleraar medische sociologie aan de medische faculteit van de RL, waarmee ze de eerste vrouwelijke hoogleraar aan deze universiteit was, toen nog een echt mannenbolwerk. Een jaar later werd ze tevens hoogleraar aan de algemene faculteit van de RL, waarin onder andere de nieuwe studierichting gezondheidswetenschappen was ondergebracht.
Als hoogleraar deed Drop onderzoek naar onder meer maatschappelijke invloeden op ziekte en gezondheid, en begeleidde ze talloze promovendi. Daarbij viel op dat ze een promovendus beschouwde als auteur van een proefschrift en niet als een dienstbaar medewerker van de hoogleraar, zoals dat toen nog vrij gebruikelijk was. In 1984 deed ze onderzoek naar de wederwaardigheden van de 228 tot dan toe afgestudeerde basisartsen aan de jonge universiteit. In 1989 gaf ze, samen met Hetty Snellen, vorm aan de tweede curriculumherziening van de faculteit geneeskunde. Ook leidde ze een onderzoekscommissie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) aan de RL. In die laatste hoedanigheid gaf ze leiding aan het project Leefwijze en gedragsverandering, waarin onderzoek werd gedaan naar psychosociale aspecten van eetgedrag en drankgebruik, afwijkend gedrag, anorexia nervosa, regionale verschillen in mortaliteit en sociaal‑economische gezondheidsverschillen. Haar grootste verdienste was het onderzoek naar alcoholconsumptie in Nederland, waarvan ze de initiator was.
Haar relatie met de dominante hoogleraar en chirurg Co Greep, van 1977-1985 decaan van de medische faculteit, was ambivalent. Enerzijds steunde ze Greep in diens streven naar een groot, modern opgezet academisch ziekenhuis − hetgeen eigenlijk indruiste tegen de basisfilosofie van de RL, waarbij de nadruk lag op de eerstelijnszorg −, anderzijds behoorde zij tot de faculteitsraadsleden die hem in 1985 wegstemden, waarmee een einde kwam aan het tijdperk Greep. Drop keek later op die heftige periode terug: "De faculteit was toe aan een wisseling van de wacht. De opbouwfase was voorbij, nu moest ze goed beheerd worden, niet direct een sterk punt bij Co."
Naast haar werk als hoogleraar was Drop onder andere voorzitter van de universiteitsraad, lid van de Adviescommissie Gezondheidsraad Epidemiologische Wetgeving, bestuurslid van de Stichting Interuniversitair Instituut voor Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek (SISWO), bestuurslid van het Medisch en Maatschappelijk Informatie Centrum (MMIC) en bestuurslid van de Stichting Wetenschappelijk Onderwijs Limburg (SWOL). In de jaren 1970 was ze een van de oprichters van de Maastrichtse afdeling van Amnesty International, een organisatie waar ze, onder andere vanwege het lot van haar vader, een sterke affiniteit mee had.
In 1998 ging ze met emeritaat, waarbij ze als honorair hoogleraar verbonden bleef aan de Maastrichtse universiteit.
Riet Drop was gehuwd met een tien jaar jongere verplegingswetenschapster. Na haar emeritaat hoopte ze veel te gaan reizen en dingen te doen waarvoor ze eerder geen tijd had. Doordat al na enkele maanden kanker bij haar werd vastgesteld, bleef het bij twee reizen naar Australië. De eerste reis maakte ze in haar eentje per containerschip met passagiersaccommodatie, in vijfentwintig dagen. Hoogtepunt was het bijwonen van de Olympische Zomerspelen 2000 in Sydney. Na enkele zware jaren overleed ze op 67-jarige leeftijd.