Rubidgeinae

De Rubidgeinae zijn een groep Synapsida, behorende tot de Gorgonopsia.

Naamgeving en definitie

In 1938 benoemde Robert Broom een onderfamilie Rubidgeinae.

De eerste definitie als klade werd in 2016 gegeven door Christian F. Kammerer: de groep bestaande uit Rubidgea atrox en alle soorten nauwer verwant aan Rubidgea dan aan Gorgonops torvus.

De groep bestaat uit middelgrote tot grote gorgonopiërs uit het late Perm van Afrika. Kamerer achtte de volgende geslachten mogelijke leden van de groep: Aelurognathus, Clelandina, Dinogorgon, Leontosaurus, Rubidgea, Ruhuhucerberus, Smilesaurus en Sycosaurus.

Beschrijving

De Rubidgeinae omvatten enkele van de grootste bekende gorgonopiërs met schedels van tot een halve meter lang wat wijst op een lichaamslengte van rond de drie meter.

Volgens Kamerer heeft de groep twee unieke synapomorfieën. Het parasfenoïde mist een voorste dolkvormig uitsteeksel. De jukbeenboog onder de oogkas is relatief hoog. Daarbij is het mogelijk dat bepaalde kenmerken die gedeeld worden met Arctognathus zich apart hebben ontwikkeld. Het preparietale is gereduceerd of afwezig. De bult van het pterygoïde op het verhemelte is gereduceerd. Het zijuitsteeksel van het pterygoïde draagt geen tanden. De symfyse van de onderkaken is massief gebouwd. Het is niet geheel zeker dat Smilesaurus tot de Rubidgeinae behoort; de andere soorten hebben hun gedeelde eigenaardigheden. De voorhoofdsbeenderen maken geen deel uit van de rand van de oogkas. De balk achter de oogkas is horizontaal is verbreed. De randen van de oogkas en de slaapvensters zijn verruwd.

In het algemeen hebben Rubidgeinae relatief kortere schedels dan eerdere gorgonopiërs. Die hadden een vrij lage bijtkracht door lange snuiten. Die konden dan wel snel dichtgeklapt worden wat het paar lange hoektanden in de prooi dreef. De hoge sluitsnelheid was vooral nuttig om kleine prooidieren te pakken. Grotere prooien moesten gedood worden door een hoge bijtkracht. Daartoe hadden de Rubidgeinae korte snuiten. Bij sommige soorten waren die vrij smal maar bij andere breed. In beide gevallen was de achterkant van de schedel zeer breed zodat sterke sluitspieren die van de bovenzijde van de schedel door de slaapvensters naar de onderkaken liepen veel kracht konden zetten. De verbreding wordt gevormd door de squamosa. Daarvoor liggen enorme slaapvensters. Een eigenaardigheid van veel leden van de groep is dat het jukbeen hoog is, de voorkant van het squamosum van onderen ondersteunend en zich zeer breed over het verhemelte uitstrekkend, onder het slaapvenster. Het jukbeen vormt een hoge plaat onder de oogkas.

Literatuur