
Arctognathus is een geslacht van vleesetende Gorgonopsia dat tijdens het late Perm leefde in het gebied van het huidige Zuid-Afrika.
In 1871 werd William Guybon Atherstone uitgezonden om de geologie van de Karoo in kaart te brengen. Op de steile hellingen van de Kagaberg groef hij een synapside schedel op. Die verscheepte hij naar het British Museum. In 1876 benoemde Richard Owen de schedel als de soort Lycosaurus curvimola. De soortaanduiding verwijst naar de gebogen lijn van "maaltanden", in feite snijdende postcaninen.

Richard Lydekker wees in 1890 Lycosaurus pardalis aan als de typesoort van het geslacht Lycosaurus. Dat maakte het in 1911 voor Robert Broom mogelijk een apart geslacht Arctognathus te benoemen nadat Lydekker dat nog benoemd had als een Aelurosaurus curvimola. De geslachtsnaam is afgeleid van het Grieks arktos, "beer", en gnathos, "kaak", een verwijzing naar de stompe snuit. De typesoort is de oorspronkelijke Lycosaurus curvimola. De combinatio nova is Arctognathus curvimola.
Het holotype, NHMUK 47339, is gevonden in een laag van de Beaufortgroep. Het bestaat uit een schedel met onderkaken.
Verschillende fossielen zijn aan de soort toegewezen. Twee geslachten en soorten zijn op basis van het materiaal benoemd: Lycaenodontoides bathyrhinus en Arctognathoides breviceps. Dat bleken dus achteraf jongere synoniemen te zijn. Lycaenops pricei was volgens Kamerer echter geen jonger synoniem.
Christian F. Kammerer toonde in 2014 aan dat veel soorten ten onrechte in Arctognathus waren geplaatst. Die werden door hem anders toegewezen of hernoemd.
Arctognathus? cookei (= Cyniscops cookei Broom 1948) was mogelijkerwijs een soort van Aloposaurus. Arctognathus nasuta uit Tanzania werd het aparte geslacht Njalila. Arctognathus progressus uit Rusland was al hernoemd tot Sauroctonus. In 1924 benoemde Haughton een Arctognathus whaitsi. Latere onderzoekers suggereerden een identiteit of verwantschap met Lycaenops? minor of Cyonosaurus longiceps. Dixeya nasuta Huene 1950 was volgens Kammerer weliswaar niet toete wijzen aan Dixeya maar ook niet aan Arctognathus. Spcecimina UMZC T877 en SAM-PK-11490 waren volgens Kammerer ook niet toe te wijzen.
Arctognathus is 1,1 meter lang met een schedellengte van achttien centimeter.
Kammerer gaf in 2014 een aantal onderscheidende kenmerken aan. Sommige daarvan zijn autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen. De rij van de bovenste postcanine tanden is erg lang, ongeveer 38% van de onderrand van het bovenkaaksbeen beslaand, waarbij de achterste tand onder het traanbeen ligt. De bovenste postcaninen zijn groot, naar achteren toe toenemend ovaal in doorsnede. De achterste bovenste postcanine tand is overdwars samengedrukt. De rand van de snuit is bol gekromd bij de postcaninen en hol gekromd rond de hoektand waarbij de praemaxilla vooraan naar beneden buigt. Het traanbeen is hoger dan lang, en erg kort met 12% van de snuitlengte. Het ploegschaarbeen is relatie smal over zijn hele lengte waarbij het achterste ingesnoerde deel extreem kort is.
Daarnaast is er een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken. Het jukbeen is horizontaal recht, zonder duidelijke buiging. Een preparietale ontbreekt. Het foramen pineale loopt vlak over in het schedeldak en is op of vlak bij de beennaad tussen voorhoofdsbeen en wandbeen gelegen. De neerwaartse bult van het verhemeltebeen is klein en draagt twee tot drie tanden. Het pterygoïde is tandeloos zonder duidelijke bult op het verhemelte. Het ploegschaarbeen heeft zijwaarts verbrede beenplaten met vooraan een verbinding met een tak van de praemaxilla. Het dentarium van de onderkaak is extreem robuust waarbij zowel de voorste symfyse als het achterste deel dat de onderste postcaninen draagt relatief hoog is vergeleken met andere Gorgonopia.
Arctognathus vrij afgeleid in de Gorgonopia geplaatst.