| Dinogorgon Fossiel voorkomen: Laat-Perm | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Geslacht | ||||||||||||
| Dinogorgon | ||||||||||||
| ||||||||||||
Dinogorgon is een geslacht van de Therapsida, een "zoogdierachtig reptiel" uit de familie van de Gorgonopsidae. Hij leefde in het late Perm in Zuid-Afrika. Zijn naam betekent verschrikkelijke (deinos) Gorgon (gorgoon), een van de drie gorgonenzusters. Dinogorgon werd iets meer dan drie meter lang en was een uitstekende jager door de enorme hoektanden. Hiermee boorde hij door de dikke huid van pareiasauriërs heen. Het was een robuust gebouwd dier met lange poten. Het was waarschijnlijk een goede zwemmer en geen renner van topsnelheid, maar snel genoeg om zijn langzame prooien bij te houden.
Sidney H. Rubidge bezat nabij Graaff-Reinet een boerderij, Wellwood farm, waar zijn dochter Peggy in 1934 een schedel vond. Haar neefje, de amateurpaleontoloog Bruce Rubidge, bracht deze onder de aandacht van Robert Broom die in 1936 Dinogorgon rubidgei benoemde. De geslachtsnaam betekent "geduchte gorgoon" en de soortaanduiding eert Rubidge. Sidney H. Haughton en James Kitching zouden de vondsten in 1953 and 1965 nader beschrijven.

Het holotype is RC 1, de schedel. Die is te glad geprepareerd op het schedeldak. Daarnaast is veel schedelmateriaal toegewezen.
De soorten Dinogorgon quinquemolaris Huene 1950 (specimen SAM-PK-11493 gevonden bij Kingori in Tanzania), Dinogorgon oudebergensis Brink & Kitching, 1953 en Dinogorgon pricei worden tegenwoordig geacht jongere synoniemen te zijn. Hetzelfde geld voor Prorubidgea robusta Brink & Kitching, 1953 gebaseerd op specimen BP/1/2190 dat ook een linkervoorpoot bewaart.
Eva Gebauer stelde in 2007 dat Dinogorgon een jonger synoniem was van Rubidgea. Dat werd echter ontkend door Christian Kammerer die duidelijke verschillen zag, vooral in het gebit.

Dinogorgon is een van de grootste bekende Rubidgeinae, met een schedellengte van tegen de veertig centimeter en een lichaamslengte van zo'n twee meter. Zoals bij de meeste verwanten zijn er grote bulten langs de snuit en boven de ogen. Die dienden vermoedelijk om krachtlijnen te versterken om te voorkomen dat de schedel ontwricht werd bij een tegenstribbelende prooi. De bult boven het oog is beperkt tot het prefrontale wat een uniek kenmerk is van Dinogorgon. De gebruikelijker brede massieve verdikking van het hele schedeldak ontbreekt. De snuit was hoog en veel smaller dan bij verwanten die juist een brede snuit hebben. Het bovenprofiel van de snuit, bestaande uit de neusbeenderen, toont een in het algemeen bolle curve, onderbroken door tredevormige inspringingen. Het bovenkaaksbeen heeft een bol profiel bij de hoektand. Er zijn vier onderste en vijf bovenste postcaninen, achterste tanden, in de bovenkaken en onderkaken (waar quinquemolaris op duidt) terwijl die bij verwanten zoals Rubidgea vaak ontbreken.
Van de postcrania is weinig bekend maar ze zijn vermoedelijk zwaargebouwd. Er is echter een voet onder voorbehoud aan Dinogorgon toegewezen, deel van specimen BP/1/1210. Problematisch is dat volgens andere onderzoekers dit specimen beter geclassificeerd kan worden als cf Rubidgea. De voet kan hoe dan ook informatie bieden over de bouw van de groep. De formule van de tenen is 2?-3-4-5-3. Opvallend is dat kleine schijfvormige knokkelbeentjes in de vijfde teen ontbreken. Dat kan erop duiden dat de achterpoten waren aangepast aan een snellere gang.

Hij was verwant met Lycaenops en was een vleeseter. Hij behoorde tot de tak van de Theriodontia binnen de Therapsida. Deze tak zou uiteindelijk leiden tot de zoogdieren. Daarbinnen was Dinogorgon een lid van de Gorgonopsia en meer bepaald de Rubidgeinae. Hij was net als Lycaeonops een vrij vroeg en basaal lid van deze groep.
Dinogorgon concurreerde met andere carnivoren als Moschorhinus en Inostrancevia om voedsel. In hetzelfde gebied leefden kleinere roofdieren als Procynosuchus en prooidieren als Lystrosaurus en Bradysaurus.