
Sonnet 19 of XIX is een van de Sonnetten van Shakespeare, voor het eerst gepubliceerd in 1609, waarin hij zijn liefde bezingt voor een aantrekkelijke jongeman. Het volgt op het beroemde Sonnet 18 dat het begin vormt van een reeks sonnetten die de aantrekkelijkheid van de jongeling centraal stellen. De beschreven schoonheid wordt verdedigd in een aanklacht tegen de tijd. Door het gedicht te schrijven hoopt Shakespeare de teloorgang te stoppen.
Sonnet 19 Devouring time, blunt thou the lion's paws, |
De dichter richt zich tot een personificatie van de onstuitbaar voortschrijdende tijd, waarin niets wordt ontzien en ook de sterkste botten en tanden vergaan. Hij wil dat de schoonheid van zijn geliefde bewaard blijft, maar weet dat hij het onmogelijke vraagt. In het laatste paar regels troost hij zich met de gedachte dat de tijd kan worden overwonnen door een onsterfelijk gedicht te schrijven.
Het eerste kwatrijn wordt het meest sprekend gevonden. In zijn schets van de almacht van de tijd bestrijkt de schrijver de hele natuur. De tijd heerst over het lot van de gevaarlijkste roofdieren, over alles wat de aarde voortbrengt en zelfs mythische wezens zoals de vogel Phoenix, die steeds moet worden herboren. De uitdrukking in her blood betekent "vol van leven", "op haar hoogtepunt". Door de tijd ontstaat de afwisseling van jaargetijden, en gebeuren er onvoorspelbare en onbeschrijfelijke dingen. Radeloos legt de schrijver de tijd een onhoudbaar verbod op in het laatste kwatrijn. In het distichon speelt hij zijn laatste troef. Hij snoeft dat de tijd oud is en een slechte invloed heeft en besluit dat nu het gedicht is geschreven, de slijtage en rimpelvorming van zijn geliefde is bedwongen.