Vale knolvezelkop

Vale knolvezelkop
Vale knolvezelkop
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Inocybaceae
Geslacht:Inocybe
Soort
Inocybe xanthomelas
Boursier & Kühner (1933)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De vale knolvezelkop (Inocybe xanthomelas) is een schimmel uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met bomen en wordt gekenmerkt door een okergele tot geelbruine hoed, een geheel berijpte steel met een knollige basis en sterk knobbelige, bijna stervormige sporen. Kenmerkend is ook dat de vruchtlichamen bij veroudering of uitdroging grijsachtig tot bijna zwart kunnen verkleuren.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

De hoed is ongeveer 3 tot 4 cm breed en vuilokergeel, strogeel tot bruinachtig okerkleurig. Het oppervlak is droog, fijnvezelig tot wollig-vezelig en kan plaatselijk vezelige schubjes vertonen.

De lamellen zijn aanvankelijk bleekgeel en worden bij rijping bruiner. De steel is aanvankelijk witachtig en over de gehele lengte fijn berijpt. Aan de basis bevindt zich een duidelijke knol, die in oudere Nederlandse beschrijvingen als gerand wordt omschreven. De steel verkleurt bij veroudering of drogen eerst grijsachtig en uiteindelijk donkergrijs tot bijna zwart.

Microscopische kenmerken

De sporen zijn okerkleurig en bijna even lang als breed, met een stervormig uiterlijk door de sterk ontwikkelde knobbels. Ze meten doorgaans 9,4–11,9 × 7,5–8,8 µm, met uitschieters van 9,1–13,1 × 7,1–9,0 µm. Het gemiddelde Q-getal bedraagt ongeveer 1,3. De sporen hebben ongeveer 8–15 knobbels, die 1,2–2,4 µm hoog zijn.

De basidiën zijn knotsvormig, kleurloos en viersporig.

De cheilocystiden zijn talrijk, flesvormig en voorzien van een duidelijk afgesnoerde hals. Ze meten ongeveer 47–52 × 13–16 µm en dragen vaak kristallen aan de top. Sommige bevatten bruinachtig intracellulair pigment.

De cheilocystiden zijn eveneens talrijk, flesvormig en dikwandig. Ze meten ongeveer 50–71 × 14–19 µm, met uitschieters tot 78 × 20 µm. Hun wanden zijn ongeveer 2,3–2,5 µm dik.

De caulocystiden komen over de gehele steel voor, van de top tot aan de basis. Ze zijn flesvormig, vaak voorzien van kristallen en meten ongeveer 44–62 × 15–17 µm. Er zijn gespen aanwezig.

Ecologie

De vale knolvezelkop vormt ectomycorrhiza met loofbomen. Bij moleculair onderzochte Europese collecties zijn onder meer beuk (Fagus sylvatica), hazelaar (Corylus) en linde (Tilia) als mogelijke mycorrhizapartners genoemd. Bevestigde collecties zijn aangetroffen in loofbossen op kalkhoudende bodem.

Volgens de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe wordt de soort in Nederland vooral aangetroffen in loof- en naaldbossen en lanen op droge, zure, voedsel- en humusarme zandgrond. Hij groeit onder meer langs bospaden, zandige boswegen en aan de rand van zandverstuivingen. Bij Nederlandse vondsten zijn onder andere eik (Quercus), den (Pinus), spar (Picea) en linde genoemd.

De uiteenlopende standplaatsbeschrijvingen moeten mede worden bezien in het licht van de taxonomische herinterpretatie van de soort, waarbij verschillende oudere collecties van de xanthomelas-groep aan andere soorten zijn toegewezen.

Verspreiding

De vale knolvezelkop is bekend uit Europa. Moleculair onderbouwde collecties zijn onder meer onderzocht uit Frankrijk, Duitsland, Spanje en Zweden.

In Nederland werd de soort in de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe als matig algemeen beschouwd, met concentraties op de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug en in Drenthe. In de duinstreek werd hij nauwelijks gemeld. De vruchtlichamen worden vooral van augustus tot november aangetroffen, met de meeste Drentse meldingen in september en oktober.

De NDFF Verspreidingsatlas onderscheidt daarnaast een verzamelgroep waarin de vale knolvezelkop en de gele knolvezelkop (Inocybe mixtilis) zijn samengenomen. Deze groep wordt gebruikt voor waarnemingen waarbij beide soorten niet met zekerheid van elkaar kunnen worden onderscheiden.

Door latere taxonomische herzieningen is niet zonder meer vast te stellen in hoeverre alle oudere meldingen betrekking hebben op Inocybe xanthomelas in de huidige, nauwere soortopvatting.

Gelijkende soorten

De vale knolvezelkop lijkt sterk op de gele knolvezelkop (Inocybe mixtilis). Deze heeft doorgaans een vettige tot enigszins kleverige hoed en jonge lamellen met een grijsachtige tot violette zweem. Bij de vale knolvezelkop is de hoed droog en zijn de jonge lamellen bleker en zonder uitgesproken violette tint. Beide soorten hebben een knollige steelbasis en sterk knobbelige sporen.

Ook Inocybe vaurasii, Inocybe humilis en Inocybe subrimosa vertonen overeenkomsten, waaronder stervormig knobbelige sporen en het donker verkleuren van de vruchtlichamen. Moleculair onderzoek heeft aangetoond dat het afzonderlijke soorten betreft. Inocybe xanthomelas onderscheidt zich van I. vaurasii onder meer door de sterker grijszwart verkleurende steel en verschillen in sporenornamentatie en cystidenafmetingen.

Taxonomie

De soort werd in 1933 beschreven door Boursier en Robert Kühner onder de naam Inocybe xanthomelas. De oorspronkelijke beschrijving verscheen in het Bulletin de la Société Mycologique de France, deel 49, pagina 84.

Bij een taxonomische herziening in 2022 werd een eerder voorgestelde lectotypificatie formeel bevestigd. Het lectotype is een collectie van Robert Kühner uit 1931, afkomstig uit de omgeving van Fontainebleau in Frankrijk en bewaard in het herbarium van Genève. Op basis van DNA-onderzoek aan typemateriaal konden verschillende eerder verkeerd geïdentificeerde collecties opnieuw worden ingedeeld.