Zandputje

Zandputje
Zandputje
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Ascomycota
Onderstam:Pezizomycotina
Klasse:Pezizomycetes
Onderklasse:Pezizomycetidae
Orde:Pezizales
Familie:Pyronemataceae
Geslacht:Geopora
Soort
Geopora arenicola
(Lév.) Kers (1974)
Synoniemen
  • Peziza arenicola Lév.
  • Lachnea arenicola (Lév.) Gillet
  • Sepultaria arenicola (Lév.) Massee
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Zandputje op Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

Het zandputje (Geopora arenicola) is een schimmel uit de familie Pyronemataceae. Het is een grotendeels in de bodem ontwikkelende bekerzwam die bij rijpheid aan het bodemoppervlak openbreekt. De soort groeit vooral op humusarme, zandige grond en vormt ectomycorrhiza met bomen en struiken.

Taxonomie

De soort werd in 1848 door de Franse mycoloog Joseph-Henri Léveillé beschreven als Peziza arenicola. Lars E. Kers plaatste de soort in 1974 in het geslacht Geopora, waarmee de huidige combinatie Geopora arenicola ontstond.

De afgrenzing van de soort is in het verleden niet altijd eenduidig geweest. Vooral Geopora arenosa werd regelmatig als synoniem van G. arenicola opgevat. Onderzoek aan type- en herbariummateriaal liet echter zien dat het type van G. arenosa duidelijk grotere ascosporen bezit. In een moleculair onderzoek werd G. arenicola als een afzonderlijke fylogenetische lijn herkend. Species Fungorum behandelt G. arenicola als de geaccepteerde naam en neemt G. arenosa niet op in de huidige synonymie van deze soort.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Het vruchtlichaam ontwikkelt zich aanvankelijk grotendeels of geheel ondergronds en is dan min of meer bolvormig. Tijdens de verdere ontwikkeling bereikt het vruchtlichaam het bodemoppervlak en ontstaat bovenaan een opening. De rand scheurt vervolgens onregelmatig in, waardoor een beker-, kom- of soms min of meer stervormig vruchtlichaam ontstaat.

In Nederland worden vruchtlichamen doorgaans met een diameter van ongeveer 1–2 cm beschreven. In de internationale literatuur worden exemplaren tot ongeveer 3 cm vermeld. De binnenzijde, waarop zich het hymenium bevindt, is glad en grijsachtig, bleek geelbruin, crème- tot geelachtig grijs. De buitenzijde is geelbruin tot donkerbruin en dicht bezet met haren. Hieraan blijven gemakkelijk zandkorrels en andere bodemdeeltjes kleven. Het vlees is witachtig.

De haren van het buitenste excipulum zijn bruin, buigzaam en meestal dikwandig. Bij onderzocht materiaal kunnen ze enkele millimeters lang worden.

Microscopische kenmerken

De ascosporen zijn glad, hyaliene en ellipsoïde. Tamm et al. maten bij onderzocht materiaal (21,4–)23,1(–25,7) × (12,2–)13,1(–14,2) µm. Bij type- en ander authentiek materiaal werd voor de soort een bereik van ongeveer 20–25,5(–26,5) × (11,5–)12–15 µm aangegeven. Bij een andere onderzochte collectie werden sporen van 25,2–26,6 × 13–15 µm gevonden.

De asci zijn cilindrisch en achtsporig. Afhankelijk van de onderzochte collectie worden maten van ongeveer 200–300 × 16–21 µm opgegeven. De ascosporen liggen in de ascus in één rij. De asci kunnen een pleurorhynche basis bezitten.

De parafysen zijn hyalien, cilindrisch, gesepteerd en ongeveer 2–3 µm breed. Ze zijn aan de top enigszins verbreed en bevatten fijne korrelige inhoud. Microscopische controle is bij Nederlandse vondsten gewenst voor een zekere determinatie, mede vanwege de gelijkenis met andere soorten van Geopora.

Ecologie

Het zandputje groeit vooral op droge, humusarme zandgrond. In Nederland is de soort kenmerkend voor zandige kustduinen en wordt hij in de huidige standaardlijst ingedeeld als een ectomycorrhizavormende soort die met loofbomen en -struiken is verbonden. Uit moleculair ecologisch onderzoek is eveneens gebleken dat G. arenicola op wortels als ectomycorrhizale schimmel kan voorkomen.

De soort is niet strikt tot kustduinen beperkt. Ook vondsten op zandige of stenige bodems in het binnenland en op kalkhoudend grind en verstoorde grond zijn bekend. In Nederland zijn de vruchtlichamen van het voorjaar tot in de herfst te vinden.

Verspreiding

Het zandputje is uit verschillende delen van Europa, Azië en Noord-Amerika gemeld. Bij de interpretatie van oudere verspreidingsgegevens moet rekening worden gehouden met de vroegere verwarring met onder meer Geopora arenosa en Geopora sepulta.

In Nederland komt het zandputje vooral voor in zandige gebieden, met name in de kustduinen. De soort komt ook plaatselijk in het binnenland voor. Op basis van gevalideerde Nederlandse waarnemingen uit de periode 2004–2023 wordt de soort als 'vrij zeldzaam' beschouwd. Op de Nederlandse Rode Lijst van 2008 staat het zandputje in de categorie 'kwetsbaar'. Vermesting wordt als een negatieve factor voor de soort beschouwd.

Zie ook