| Zilversteelvezelkop | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Inocybe curvipes P. Karst. (1890) | ||||||||||||||
| A: vruchtlichamen (maatstreep 20 mm); B: basidiosporen; C: basidiën; D: pleurocystiden (maatstreep B–D: 10 µm) | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De zilversteelvezelkop (Inocybe curvipes) is een paddenstoel uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met bomen en groeit op de grond in loofbossen, parken en wegbermen. In Nederland wordt hij vooral aangetroffen bij populier (Populus), maar ook bij eik (Quercus), berk (Betula) en wilg (Salix).
De hoed heeft een diameter tot circa 5 cm. Hij is aanvankelijk kegelvormig tot halfbolvormig en wordt later gewelfd tot uitgespreid, soms met een stompe umbo. Het oppervlak is droog, viltig-wollig tot vezelig en kan bij oudere exemplaren fijnschubbig worden. De kleur varieert van donkerbruin tot lichtbruin of beige, vaak met concentrische verschillen in kleurnuance. De hoedrand kan op oudere leeftijd enigszins radiaal scheuren.
De lamellen zijn vrij dicht opeenstaand en aangehecht tot smal aangehecht aan de steel (adnate tot adnex). Aanvankelijk zijn ze lichtgrijs tot vrijwel witachtig, later verkleuren ze via geelbruin naar bruin of donker geelbruin. De lamelsnede blijft doorgaans lichter en is fijn bewimperd.
De steel is doorgaans 20–40 mm lang en 3–7 mm dik. Hij is cilindrisch of heeft een enigszins verdikte basis, zonder duidelijk gerande knol. De kleur is aanvankelijk bleek tot grijsachtig of zilverachtig, later vooral aan de basis bruiner. Het oppervlak is fijnvezelig en kan aan de top fijn berijpt zijn. Een eventuele cortina is weinig opvallend en verdwijnt snel.
Het vlees is witachtig tot bleek en vertoont bij beschadiging geen opvallende verkleuring. De geur kan bij doorsnijden spermatisch zijn, soms met een zurige component.
De basidiosporen zijn geelbruin, langwerpig tot hoekig en vaak enigszins trapeziumvormig. Ze meten doorgaans 9–12 × 5–6,5 µm, waarbij in andere onderzochte collecties grotere uiterste afmetingen zijn gemeld. De sporen hebben meestal zes tot tien matig ontwikkelde tot kleine knobbels, die soms nauwelijks meer dan hoekige uitstulpingen vormen.
De basidiën zijn doorgaans knotsvormig en meten ongeveer 26–38 × 8–13 µm. Ze zijn overwegend viersporig, maar ook tweesporige en incidenteel eensporige basidiën zijn beschreven.
De pleurocystiden zijn opvallend breed, spoelvormig tot zakvormig en meten volgens een Australische beschrijving 47–73 × 19–27 µm. Ze bezitten een betrekkelijk lange, smalle basale steel en versmallen naar een doorgaans spitse top, die vaak met kristallen bezet is. De wanden zijn verdikt, tot ongeveer 2,5 µm.
De cheilocystiden lijken op de pleurocystiden, maar zijn doorgaans korter en variabeler van vorm. Ze kunnen een breed buikig of bijna ballonvormig middengedeelte en een korte, spits toelopende top hebben. Tussen de cheilocystiden komen ook kleinere, dunwandige paracystiden voor.
Over de aanwezigheid van caulocystiden bestaan verschillen tussen de onderzochte collecties. Bougher en Matheny (2011) beschreven exemplaren zonder caulocystiden, terwijl Matheny en Bougher (2010) bij een andere collectie caulocystiden aantroffen die beperkt waren tot de steeltop.
De pileipellis (hoedhuid) bestaat hoofdzakelijk uit een cutis van cilindrische hyfen, waarvan vele een bruin, geïncrusteerd pigment bezitten. Gespen komen in de weefsels voor.
De zilversteelvezelkop groeit op de grond en vormt ectomycorrhiza met bomen. In Nederland wordt de soort aangetroffen in loofbossen, wegbermen en parken, op voedselarme tot matig voedselrijke, kalkhoudende tot zwak zure zand-, leem- en kleigrond. Hij wordt vooral in verband gebracht met populieren, eiken, berken en wilgen.
Buiten Nederland is de soort ook aangetroffen bij naaldbomen, waaronder dennen (Pinus). Onderzoek aan DNA-sequenties van ectomycorrhizale worteltoppen heeft bovendien de associatie met populier en eik bevestigd.
De zilversteelvezelkop is wijdverspreid in gematigde delen van het noordelijk halfrond. De soort is bekend uit Europa en Noord- en Midden-Amerika. Daarnaast zijn vondsten beschreven uit Zuid-Amerika, Australië en Papoea-Nieuw-Guinea. In Australië en Papoea-Nieuw-Guinea wordt de soort beschouwd als geïntroduceerd, waarschijnlijk samen met aangeplante ectomycorrhizavormende bomen uit het noordelijk halfrond.
In Nederland komt de zilversteelvezelkop algemeen voor. Volgens de NDFF Verspreidingsatlas behoort hij in de Nederlandse Rode Lijst van 2008 tot de categorie 'thans niet bedreigd'. Voor een zekere determinatie is microscopisch onderzoek nodig.
De soort werd in 1890 door de Finse mycoloog Petter Adolf Karsten beschreven als Inocybe curvipes in het tijdschrift Hedwigia.
Door uiteenlopende interpretaties van de soort is deze in het verleden onder verschillende namen beschreven. Tot de taxonomische synoniemen behoren onder meer Inocybe decipientoides, Inocybe globocystis en Inocybe cinerascentipes. De naam Inocybe lanuginella is in oudere literatuur eveneens voor deze soort gebruikt, maar geldt in die toepassing als een verkeerde naamtoepassing.
De NDFF Verspreidingsatlas onderscheidt twee variëteiten: Inocybe curvipes var. curvipes, met een zilvergrijze steel, en Inocybe curvipes var. ionipes, met een violette steeltop. De laatstgenoemde variëteit is in Nederland uiterst zeldzaam.
De zilversteelvezelkop wordt als giftig beschouwd. In de wetenschappelijke literatuur is melding gemaakt van een Australische herbariumcollectie waarvan het etiket vermeldde dat de soort betrokken was bij een geval van muscarinevergiftiging na verwisseling met eetbare paddenstoelen.