| Aarddrager | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Inocybe splendens R. Heim (1932) | ||||||||||||||
| lamellen | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De aarddrager (Inocybe splendens) is een schimmel uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met loofbomen, waaronder eik (Quercus), populier (Populus) en wilg (Salix). De vruchtlichamen groeien op de grond in bossen, lanen en parken, vaak op voedselrijke bodems.
De hoed is aanvankelijk halfbolvormig tot kegelvormig en wordt later gewelfd tot uitgespreid, meestal met een brede, stompe umbo. De hoed kan ongeveer 3 tot 5 cm breed worden. Het oppervlak is bruin tot donkerbruin, vaak met een kastanjebruine of roodbruine tint, en is radiaal vezelig. Naar de rand kan de hoedhuid enigszins opensplijten. Vooral bij jonge vruchtlichamen kan een witachtige velipellis aanwezig zijn, waaraan gronddeeltjes blijven kleven.
De lamellen staan vrij dicht opeen en zijn aangehecht tot vrijwel vrij. Ze zijn aanvankelijk lichtgrijs tot lichtbruin en worden bij rijping bruiner. De lamelsnede is lichter van kleur en fijn gewimperd.
De steel is cilindrisch, witachtig tot bleek okerkleurig en heeft aan de basis doorgaans een duidelijk verdikte, gerande knol. Het oppervlak is fijn berijpt door de aanwezigheid van steelcystiden. Deze kunnen over de gehele lengte van de steel voorkomen. Een duidelijk ontwikkelde cortina ontbreekt.
Het vlees is witachtig. De geur wordt als sterk spermatisch beschreven.
De sporen zijn glad, langwerpig-ellipsoïde tot amandelvormig en bezitten geen knobbels. Kropp en medewerkers (2010) vermelden in hun determinatiesleutel sporenmaten van 9,5–11 × 5,5–6 µm. Bij een onderzochte collectie van de Koerilen werden sporen van 7,3–10,1 × 4,5–5,8 µm gemeten, met een gemiddelde van 8,7 × 5,2 µm en een gemiddeld Q-getal van 1,7.
De basidiën zijn knotsvormig en viersporig. De pleurocystidia zijn buikig-spoelvormig tot spoelvormig en hebben verdikte wanden. Bij de onderzochte collectie van de Koerilen maten ze 58–83 × 10,8–18,8 µm. De cheilocystidia zijn vergelijkbaar van vorm en eveneens dikwandig. Daarnaast komen dunwandige paracystiden voor.
De caulocystiden zijn dikwandig en kunnen tot aan de steelbasis voorkomen. De aanwezigheid van deze cystiden over vrijwel de gehele steel en de gladde sporen behoren tot de belangrijke microscopische kenmerken van de soort.
De aarddrager leeft in symbiose met bomen, waarbij de schimmel via ectomycorrhiza voedingsstoffen uitwisselt met de wortels van zijn gastheer.
In Nederland wordt de variëteit Inocybe splendens var. splendens onder meer aangetroffen bij eiken, populieren, wilgen, linden en beuken. Vindplaatsen omvatten loofbossen, gemengde bossen, lanen, parken en duinvalleien. De soort wordt zowel op zandige als op kleiige en lemige bodems waargenomen.
De aarddrager is bekend uit Europa, waaronder Nederland, Frankrijk en Letland. De variëteit splendens is ook beschreven van de Koerilen in het noordoosten van Azië.
In Nederland is Inocybe splendens var. splendens, de grote aarddrager, als zeldzaam geregistreerd. Op de Rode Lijst van 2008 staat deze variëteit in de categorie 'thans niet bedreigd'.
De wetenschappelijke naam Inocybe splendens werd in 1932 gepubliceerd door de Franse mycoloog Roger Heim, in zijn werk Le Genre Inocybe.
De taxonomische afbakening van deze soort is in de loop der tijd veranderd. Kuyper (1986) onderscheidde binnen Inocybe splendens twee variëteiten: var. splendens en var. phaeoleuca. Laatstgenoemde wordt tegenwoordig doorgaans als een zelfstandige soort, Inocybe phaeoleuca (sombere aarddrager), beschouwd.
Moleculair onderzoek door Kropp en medewerkers (2010) toonde aan dat Europees materiaal van I. splendens en I. phaeoleuca tot afzonderlijke evolutionaire lijnen behoort. De onderzoekers concludeerden bovendien dat verschillende Noord-Amerikaanse collecties die eerder tot het I. splendens-complex werden gerekend, andere soorten vertegenwoordigen.
Omdat het oorspronkelijke herbariummateriaal van Heim verloren is gegaan, wezen Kropp en medewerkers in 2010 een oorspronkelijke aquarel van Heim aan als lectotype van Inocybe splendens.