| Anna Maria Strada | ||||
|---|---|---|---|---|
| Persoonsgegevens | ||||
| Ook bekend als | La Stradina | |||
| Geboortedatum | 1703 (?) | |||
| Geboorteplaats | Bergamo | |||
| Overlijdensdatum | 20 juli 1775 | |||
| Overlijdensplaats | Napels | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Beroep(en) | operazanger | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Jaren actief | 1720-1741 | |||
| Stijl(en) | opera, oratorium | |||
| Zangstem | sopraan | |||
| ||||
Anna Maria Strada del Pò (Bergamo, 1703 (?) - Napels, 20 juli 1775), ook bekend als La Stradina, was een Italiaanse sopraan. Een belangrijk deel van haar zangcarrière bracht zij door in Londen, waar zij een innige samenwerking opbouwde met componist Georg Friedrich Händel.
Anna Maria Strada werd geboren in Bergamo. Waarschijnlijk waren de bas Giuseppe Maria Strada en de zangeres Andriana Strada haar ouders. In dat geval is het aannemelijk dat ze thuis haar eerste muziekkennis opdeed.
In de zomer van 1720 was Strada in Milaan, waar zij werkte als 'virtuosa di camera' voor graaf Girolamo di Colloredo-Waldsee, de gouverneur van Milaan. Zij zong in augustus in Aquilio in Siracusa van Giuseppe Vignatti. Mogelijk heeft de componist Antonio Vivaldi haar tijdens deze voorstelling horen zingen, waarna hij haar inhuurde voor het seizoen 1720-1721 in het Teatro San'Angelo te Venetië. Strada's debuut in Venetië was in de rol van Rosane in Vivaldi's opera La verità in cimento. Hierna volgden rollen in Filippo, re di Macedonia (geschreven door Vivaldi en Giuseppe Boniventi) en in opera's van Giuseppe Maria Orlandini en Carlo Luigi Pietragrua.
Eind 1720 schreef de componist Benedetto Marcello een satirisch pamflet waarin onder andere het Teatro San'Angelo het moest ontgelden. Ook Strada werd in dit pamflet genoemd en mogelijk heeft dit haar loopbaan gehinderd, want aan het eind van het operaseizoen verliet ze Venetië.
In augustus 1721 zong Strada in Milaan in de opera Silvia van Vivaldi. Ze zou de komende jaren wel in minder aantrekkelijke producties optreden dan voorheen en ook in verschillende steden. Zo was ze in het seizoen 1722-1723 te Livorno waar ze optrad in opera's van Domenico Sarro, Francesco Gasparini en Michelangelo Gasparini. Tijdens het carnaval van Lucca in 1724 was ze te horen in Rodelinda van Giovanni Antonio Canuti di Lucca.
Vanaf het voorjaar 1724 werkte Strada als tweede zangeres in het Teatro San Bartolomeo te Napels. Hier trad ze samen op met onder andere Vittoria Tesi en de nog jonge castraatzanger Farinelli. Ze was te horen in opera's van Nicolo Porpora (Semiramide, regina dell’Assiria, 1724) en Giovanni Porta (La Lucinda Fedele, 1726). Financieel verliep het echter moeizaam: in de herfst van 1725 had ze nog een bedrag van 2000 dukaten te goed van de theaterimpresario Arelio del Pò. Kennelijk had hij het geld niet, waarna hij het probleem oploste door met Strada te trouwen.
Het is niet duidelijk wat Strada deed tussen 1726 en 1729. Mogelijk was ze in deze periode zwanger. Verder zal ze hebben rondgereisd, terwijl haar echtgenoot Aurelio als impresario het werk regelde. Zo kwam het echtpaar in 1729 in Londen terecht, op uitnodiging van Georg Friedrich Händel: hij was namelijk op zoek naar nieuwe zangers voor zijn Second Academy in het King's Theatre en wilde Strada graag als prima donna. Ze ging in Londen samenwerken met zangers als Senesino, Margherita Durastanti en Antonio Montagnana en ontving een jaarsalaris 600 pond.

Haar Londense debuut was op 2 december 1729 als Adelaide in Händels opera Lotario. In de volgende jaren zou ze nog in vele opera's van Händel optreden en menig hoofdrol was zelfs speciaal voor haar geschreven, zoals de titelrol in Partenope (1730), Angelica in Orlando (1733), Ginevra in Ariodante (1735), Tusnelda in Arminio, en Arianna in Giustino (1737). Ook trad ze op in de heropvoeringen van oudere opera's, zoals Giulio Cesare (1730 en 1732), Rodelinda (1731), Rinaldo (1731) en Ottone (1733). Daarnaast zong ze in een aantal van Händels pasticcio's, met aria's van onder andere Vivaldi, Hasse en Porta. Veel van deze aria's waren oorspronkelijk voor castraten geschreven. Tot slot was Strada de leidende sopraan in diverse Engelstalige oratoria van Händel, zoals Esther (1732) en Alexander's Feast (1737).
Strada was in Londen in feite de opvolgster van de beroemde zangeressen Francesca Cuzzoni en Faustina Bordoni, die nog voor Händels Royal Academy of Music hadden gewerkt. Ze werd dan ook voortdurend met haar voorgangsters vergeleken.
In 1732 stelde de componist Bononcini voor om een van zijn opera's op te voeren in het King's Theatre, met Strada in de hoofdrol. Maar Strada en haar man weigerden het aanbod. Niet alleen was Bonocini verwikkeld in een schandaal rondom plagiaat, maar hij was ook de grote rivaal van Händel: voor het echtpaar waren dit waarschijnlijk genoeg redenen om medewerking te weigeren.
Strada's collega's verlieten in 1733 Händels operagezelschap om te werken voor de rivaliserende Opera of the Nobility. Strada echter bleef trouw aan Händel.
In 1734 nam Strada het nog op voor haar landgenoot Anthony l'Anglodge, die tot de doodstraf was veroordeeld wegens diefstal van 15 guineas van Joseph Teddy. Zij verzocht de koning om hem gratie te verlenen. Ondanks dat de koning hiermee instemde, werd het vonnis toch uitgevoerd; waarschijnlijk was de gratie te laat gegeven.
Uiteindelijk kwam er in 1737 een einde aan Händels operagezelschap. Hij kon Strada en de andere zangers niet langer uitbetalen. Strada's echtgenoot wilde nog juridische maatregelen nemen om het achterstallige salaris los te krijgen.
Plannen van enkele adellijke dames om een nieuw operagezelschap in Engeland op te richten, met Strada als prima donna, kwamen niet van de grond. Strada besloot in juni 1738 naar Napels te vertrekken, maar onderweg eerst in Breda te stoppen om daar met prinses Anna muziekuitvoeringen te geven. Zij had Anna - een van Händels beste leerlingen - al eens eerder in 1736 ontmoet tijdens een reis naar de Republiek. Toen hadden ze samen diverse muziekvoorstellingen gegeven, met Strada als zangeres en de prinses als dirigente vanachter het klavecimbel.
Eenmaal aangekomen in Napels kreeg Strada een aanstelling als prima donna bij het nieuwe Teatro San Carlo. In het seizoen 1739-1740 zong ze de titelrol in Partenope van Domenico Sarro en Emerina in Adriano in Siria van Giovanni Ristori. In december 1740 nam ze officieel afscheid van het podium, met een mannelijke zangrol in Tiridate van Porpora. Tijdens het carnaval van 1741 trad ze nog wel op in Turijn en in mei was ze te horen in Vicenza. Inmiddels was haar stembereik toch wel afgenomen en in 1741 ging ze met pensioen.
Het echtpaar vestigde zich in Napels in een appartement in Caffarelli's stadspaleis. Haar man Aurelio overleed op 10 december 1773, Strada zelf stierf op 20 juli 1775. Beiden zijn begraven in de kerk S Anna di Palazzo.
Strada's loopbaan begon als een hoge sopraan, met ruimte voor coloratuur. In haar eerste periode te Napels werd haar stem volwassener, maar zakte ook in hoogte.
In Londen werd Strada doorlopend vergeleken met haar twee voorgangsters Bordoni en Cuzzoni. Dit gebeurde niet alleen in de pers, maar ook tot in het koninklijk huis. Haar stem bleek erg veelzijdig: ze bezat de virtuositeit van Bordoni, gecombineerd met de gevoeligheid van Cuzzoni. Ze zou overigens kwalitatief beter hebben gezongen dan Bordoni, met een betere intonatie; ook was haar stem dramatischer dan die van Cuzzoni. Volgens librettist Paolo Rolli - die de voorstelling van Lotario in 1729 had bijgewoond - had Händel gezegd dat Strada beter zong dan haar twee voorgangsters. Zelf vond Rolli haar stem een genot voor het oor. Verder bleek haar uitspraak van het Engels in Händels oratoria dermate goed dat ze er nooit kritiek op kreeg - in tegenstelling tot haar collega's als Senesino en Francesca Bertolli.
Wel was er kritiek op haar uiterlijk: zo vonden Mary Delany en Charles Burney haar verschijning en gezichtsuitdrukkingen helemaal niks. Het publiek gaf haar de bijnaam 'the Pig' vanwege haar onaantrekkelijke, dikke uiterlijk. Dit komt overigens niet echt overeen met het portret dat Johannes Verelst in 1732 van Strada maakte: hierop is een slanke, aantrekkelijke jongedame te zien.
Volgens criticus Charles Burney zou Strada bij haar aankomst in Engeland een ongepolijste zangeres zijn geweest die dankzij Händels toewijding zo ver was gekomen. Hoewel deze mening geen recht aan Strada's kwaliteiten zal hebben gedaan, was het wel zo dat zij zich sterk liet leiden door Händels muzikale opvattingen: hij was degene die vorm gaf aan haar rollen en aria's, vanuit zijn eigen artistieke ideeën en wensen. Strada's eigen inbreng was dus relatief gering, maar de jarenlange intensieve samenwerking tussen de twee zorgde wel voor een zeldzame muzikale symbiose die beiden inspireerde. Haar grote stemkwaliteiten maakten het voor Händel mogelijk om zijn composities in een vernieuwende richting te sturen. De opera Alcina is hiervan een goed voorbeeld: de vele mogelijkheden van Strada's stem bepaalden uiteindelijk de dramatische structuur van de opera. Ook creëerde Händel steeds meer personages die zich gedurende een opera ontwikkelden, een fenomeen dat in de opera seria niet vaak voorkwam maar dankzij Strada mogelijk was. Tot slot kon hij echte bravoure-aria's voor haar schrijven, met veel trillers, sprongen en triolen.