| Antonia Margherita Merighi | ||||
|---|---|---|---|---|
Karikatuur van Merighi | ||||
| Persoonsgegevens | ||||
| Geboortedatum | circa 1690 | |||
| Geboorteplaats | Bologna | |||
| Overlijdensdatum | vóór 1764 | |||
| Overlijdensplaats | onbekend | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Beroep(en) | operazangeres | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Stijl(en) | opera | |||
| Zangstem | contra-alt | |||
| ||||
Antonia Margherita Merighi (Bologna, circa 1690 - vóór 1764) was een Italiaanse contra-alt. Haar operacarrière speelde zich voornamelijk af in Italië en Londen.
Merighi werd geboren in Bologna, waarschijnlijk rond het jaar 1690. Het is onbekend waar zij haar muziekopleiding kreeg, maar aannemelijk is dat ze deze volgde bij de zangschool van Francesco Antonio Pistocchi te Bologna.
Merighi trad in 1711 in Lugo op als Selvaggio in L'enigma disciolto van Floriano Arresti. Twee jaar later was ze werkzaam in Padua in het Teatro Obizzi en in Bologna. Ze maakte nu deel uit van een gerenommeerd muziekgezelschap met onder andere de castraatzanger Antonio Bernacchi als collega.
In de jaren 1714-1716 was Merighi actief in Florence in het Teatro del Cocomero, opnieuw met Bernacchi. Ze trad deze periode tevens op aan het hof van aartshertogin Violante Beatrix van Beieren, de weduwe van Ferdinando de' Medici.
Via het carnaval van Livorno kwam Merighi in 1717 terecht in Venetië, waar ze tot 1721 zou blijven en in de periode 1724-1726 nogmaals werkzaam was. Ze zou in minstens negentien opera's verschijnen, waaronder Tieteberga van Antonio Vivaldi.
In 1718 was ze te horen in Vivaldi's Armida al campo d'Egitto in zowel Venetië als Mantua. Een jaar later boekte ze veel succes in Bologna met Sesostri van Francesco Gasparini. Ze zou in 1727 opnieuw in deze stad terugkeren voor een optreden.
Verder was Merighi te horen in minstens negentien opera's in het Teatro San Bartolomeo in Napels (1721-1724 en 1728-1729). Hier werkte ze samen met beroemdheden als Faustina Bordoni, Il Lucchesino en wederom Bernacchi en trad ze ook op in het koninklijk paleis. Verder reisde ze langs Parma, Florence (1725) en Turijn (1725-1727).
In 1729 zocht Georg Friedrich Händel naar nieuwe zangers en zangeressen voor zijn Second Academy in Londen. Naast Merighi trok Händel ook Anna Maria Strada, Bernacchi en Annibale Pio Fabri aan. Hij betaalde voor Merighi het hoge jaarsalaris van 1000 guineas. Uiteindelijk zou ze in Londen werkzaam blijven gedurende twee operaseizoenen. Onderweg naar Londen deed Merighi overigens eerst nog Parijs aan en gaf daar een concert.
The Daily Journal maakt op 2 juli 1729 de nieuwe cast bekend van Händels gezelschap. Men schreef over Merighi het volgende: 'a Woman of a very fine Presence, an excellent Actress, and a very good Singer – A Counter Tenor'.
Merighi's eerste Londense optreden was in december 1729 als Matilda in Händels opera Lotario. Hierna volgden Partenope (1730) en Poro (1731). Verder verscheen zij in Giulio Cesare, Tolomeo, Scipione, Rinaldo en mogelijk ook Rodelinda. Ook werkte ze, samen met Senesino en Antonio Montagnana, mee aan een tweede reeks opvoeringen van Poro.
Na afloop van het tweede seizoen in Londen keerde Merighi terug naar Italië. In de jaren 1731-1732 trad ze op in Florence, onder andere samen met Francesca Cuzzoni. In het seizoen 1732-1733 was ze opnieuw in Venetië, waar ze samenwerkte met Farinelli. In 1735 was zij in Modena en Milaan te horen.
In 1736 ging Merighi weer terug naar Londen, waar ze lid werd van de Opera of the Nobility, het operagezelschap dat concurreerde met Händel. Ze zong hier in opera's van onder andere Johann Adolf Hasse, Riccardo Broschi en Francesco Maria Veracini. Het operagezelschap beleefde overigens een weinig succesvol jaar en ging in 1737 failliet. Merighi kon echter aanblijven in het King's Theatre, waar de restanten van de Opera of the Nobilty en Händels operagezelschap nu samenwerkten. Ze was hier te horen in pasticcio's en opera's van Giovanni Battista Pescetti en Veracini. Ook was ze onderdeel van de premières van Händels opera's Faramondo en Serse, waarin ze onder andere samenwerkte met Caffarelli.
In maart 1739 verbleef Merighi in Verona, waar ze kennelijk in quarantaine zat na terugkomst uit München.
Inmiddels was Merighi's stem afgenomen in zowel kwaliteit als bereik. Haar laatste bekende optreden was in München, waar ze tijdens het carnaval van 1740 zong in twee opera's.
Het is onbekend wanneer Merighi is overleden, maar het moet vóór 1764 zijn gebeurd: in dat jaar hertrouwde namelijk haar echtgenoot, de tenor Carlo Carlani (1716-1776). Merighi is overigens ook enige tijd de maîtresse geweest van de castraatzanger Bernacchi.
In Italië zong Merighi met regelmaat mannelijke rollen vanwege haar relatief lage stem. Voor haar optredens in Londen werden de sopraanrollen dan ook getransponeerd zodat ook zij ze kon zingen.
Händel was kennelijk zeer te spreken over Merighi, gezien de belangrijke rollen die hij voor haar selecteerde. Mary Pendarves vond haar stem niet uitzonderlijk, maar wel aangenaam. Paolo Antonio Rolli prees Merighi's acteervaardigheden in de opera Lotario.
Alleen criticus Charles Burney was negatief: hij vond haar een zangeres van de tweede of derde rang. Mogelijk baseerde hij zich op haar latere jaren, toen haar stem beduidend minder was geworden.