| Cuphophyllaceae | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Sneeuwzwammetje (Cuphophyllus virgineus) | ||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Familie | ||||||||||||
| Cuphophyllaceae (Z.M. He & Zhu L. Yang) Vizzini, Consiglio & P. Alvarado (2024) | ||||||||||||
| ||||||||||||
Cuphophyllaceae is een familie van schimmels uit de orde Agaricales. De familie behoort tot de onderorde Hygrophorineae en omvat voornamelijk op de grond groeiende plaatjeszwammen. Sommige soorten werden traditioneel tot de Hygrophoraceae gerekend en behoren tot de paddenstoelen die in het Nederlands wasplaten worden genoemd. Het typegeslacht is Cuphophyllus.
De taxonomische afbakening van de Cuphophyllaceae is gebaseerd op moleculair-fylogenetisch onderzoek. Verschillende geslachten, waaronder Cuphophyllus, Ampulloclitocybe en Cantharocybe, werden lange tijd tot de Hygrophoraceae gerekend. Hun precieze onderlinge verwantschap was echter onvoldoende opgehelderd.
In 2021 beschreven Zheng-Mi He en Zhu-Liang Yang de onderfamilie Cuphophylloideae binnen de Hygrophoraceae. Op grond van onderzoek aan meerdere DNA-regio's onderscheidden zij een evolutionaire afstammingslijn met de geslachten Cuphophyllus, Ampulloclitocybe, Cantharocybe en het nieuw beschreven Spodocybe.
In 2024 verhieven Alfredo Vizzini, Giovanni Consiglio en Pablo Alvarado deze onderfamilie tot de zelfstandige familie Cuphophyllaceae. Daarbij werd ook het geslacht Hygrophorocybe aan de familie toegevoegd. Deze indeling is gebaseerd op een uitgebreidere fylogenetische analyse van de Agaricales met gegevens uit zes genregio's.
De familienaam is afgeleid van het typegeslacht Cuphophyllus, dat in 1962 door Marinus Anton Donk als ondergeslacht van Hygrocybe werd beschreven en later door Marcel Bon tot geslacht werd verheven.
De vruchtlichamen zijn meestal trechterzwamachtig, met een centrale steel en een hoed die aanvankelijk bolvormig tot gewelfd is en later vlak of trechtervormig kan worden. Minder vaak zijn de vruchtlichamen omphalinoïd (navelzwamachtig) of mycenoïd (mycena-achtig).
De hoed is doorgaans glad en droog tot enigszins vettig, maar kan bij sommige soorten kleverig zijn. De lamellen zijn aflopend tot sterk aflopend op de steel. Ze kunnen relatief dik en wasachtig zijn, zoals bij verschillende soorten van Cuphophyllus, maar zijn bij andere geslachten dunner. Een velum ontbreekt.
De vruchtlichamen vertonen een grote kleurvariatie. Bij Cuphophyllus komen onder meer witte, crèmegele, grijze, bruine en oranjebruine soorten voor. De binnen de verwante Hygrocybaceae voorkomende pigmenten uit de groep van de L-DOPA-betalainen en vermoedelijk ook carotenoïden ontbreken bij de Cuphophyllaceae.
De basidiosporen zijn ellipsvormig, langwerpig of bijna bolvormig. Ze zijn dunwandig, onder de lichtmicroscoop glad en niet-amyloïde. Afhankelijk van de soort kunnen ze wel of niet cyanofiel zijn, wat betekent dat de sporenwand al dan niet aankleurt met bepaalde blauwe kleurstoffen.
De hoedhuid (pileipellis) bestaat gewoonlijk uit een cutis, waarbij de hyfen min of meer evenwijdig aan het hoedoppervlak liggen. Soms is een ixocutis of een trichoderm aanwezig.
De lamellentrama kan regelmatig, subregelmatig, verweven of bidirectioneel zijn opgebouwd. Gespen aan de hyfensepten zijn meestal aanwezig. De bouw van de lamellentrama is een belangrijk kenmerk bij het onderscheiden van de verschillende geslachten binnen de familie.
Soorten van de Cuphophyllaceae groeien voornamelijk op de bodem. Een kleiner aantal groeit op hout. De familie omvat soorten uit graslanden, bossen en andere terrestrische leefgebieden.
Vooral soorten van Cuphophyllus worden in Europa aangetroffen in oude, voedselarme graslanden, grazige bermen, heiden en duingraslanden. Ze groeien vaak tussen grassen en mossen en zijn kenmerkend voor vegetaties die weinig of niet zijn bemest. Verschillende soorten zijn gevoelig voor vermesting en veranderingen in het traditionele graslandbeheer.
De voedingswijze van de bodembewonende wasplaten is nog niet volledig opgehelderd. Ze werden traditioneel vaak als saprotroof beschouwd. Onderzoek aan de stabiele isotopen van koolstof en stikstof heeft echter aangetoond dat onder meer Cuphophyllus een isotopensamenstelling heeft die beter overeenkomt met een biotrofe dan met een uitsluitend saprotrofe levenswijze. Mogelijk leven bepaalde soorten in nauwe associatie met levende planten.
Nader onderzoek naar de ecologie van graslandbewonende wasplaten ondersteunt deze interpretatie. Hun stikstof- en koolstofisotopen wijzen op een bijzondere voedingsstrategie die niet overeenkomt met die van typische afbrekers van dood organisch materiaal. De precieze aard van de eventuele symbiose met planten is echter nog niet voor alle soorten vastgesteld.
De Cuphophyllaceae hebben een wereldwijde verspreiding en komen zowel in gematigde als in tropische gebieden voor. De Europese vertegenwoordigers van Cuphophyllus zijn vooral bekend uit graslanden, terwijl andere geslachten ook in bosgebieden voorkomen.
In Nederland komen verschillende soorten van Cuphophyllus voor, waaronder de weidewasplaat (Cuphophyllus pratensis), de bruine wasplaat (Cuphophyllus colemannianus) en het sneeuwzwammetje (Cuphophyllus virgineus). In oudere literatuur en in de NDFF Verspreidingsatlas worden deze soorten vaak nog onder Hygrocybe vermeld.
Verschillende graslandbewonende soorten worden bedreigd door vermesting, verzuring en het verdwijnen van oude, soortenrijke graslanden. De weidewasplaat en de bruine wasplaat staan in Nederland op de Rode Lijst van paddenstoelen in de categorie 'Kwetsbaar'.
Volgens de indeling van Vizzini et al. (2024) omvat de familie de volgende vijf geslachten:
Tot de bekendere vertegenwoordigers van Cuphophyllus behoren de weidewasplaat (C. pratensis), de ridderwasplaat (C. fornicatus), de geurende wasplaat (C. russocoriaceus) en het sneeuwzwammetje (C. virgineus).
De taxonomische indeling van deze groep is in ontwikkeling. In oudere publicaties en in sommige taxonomische databanken worden geslachten van de Cuphophyllaceae nog tot de Hygrophoraceae gerekend.