| Echinothecium | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Geslacht | ||||||||||||||
| Echinothecium Zopf (1898) | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Echinothecium is een geslacht van korstmosbewonende schimmels uit de klasse Dothideomycetes. De soorten zijn niet-gelicheniseerde zakjeszwammen die op het thallus en soms de apotheciën van korstmossen groeien. Sommige soorten veroorzaken plaatselijke verkleuringen van hun gastheer. De typesoort is Echinothecium reticulatum, die in 1898 door de Duitse mycoloog Wilhelm Zopf werd beschreven.
De soorten van Echinothecium vormen doorgaans een oppervlakkig netwerk van donkerbruine tot zwarte hyfen op het thallus van hun gastheer. De hyfen zijn vertakt, gesepteerd en kunnen onderling versmelten (anastomoseren), waardoor een min of meer netvormige structuur ontstaat.
De vruchtlichamen (ascomata) zijn klein, donkergekleurd, min of meer bolvormig en peritheciumachtig. Ze liggen oppervlakkig of gedeeltelijk verzonken in het thallus. Ze bezitten een opening (ostiool) waardoor de sporen worden vrijgelaten. Bij verschillende soorten zijn de vruchtlichamen voorzien van stijve, hyfeachtige uitgroeisels.
De asci zijn doorgaans achtsporig en bitunicaat, met een dubbele functionele wand. Bij Echinothecium aerophilum zijn echter viersporige asci beschreven. Het hamathecium bevat korte perifysen en pseudoparafysen. De aanwezigheid en bouw van deze structuren zijn van belang bij het onderscheiden van Echinothecium van verwante geslachten.
De ascosporen zijn meestal ellipsoïde tot omgekeerd eivormig, aanvankelijk kleurloos (hyalien) en voorzien van één dwarsseptum, waardoor ze uit twee cellen bestaan. De bovenste cel is vaak iets breder dan de onderste. Bij sommige soorten worden de sporen bij rijping lichtbruin.
De soorten van Echinothecium leven op verschillende geslachten van korstmossen. Veel soorten zijn gespecialiseerd in een beperkt aantal nauw verwante gastheren.
Echinothecium reticulatum groeit onder andere op soorten van Parmelia, waaronder Parmelia sulcata. Echinothecium hypogymniae is aangetroffen op soorten van Hypogymnia, waaronder H. bitteri, H. austerodes en H. physodes. Deze soort kan aanzienlijke verkleuring van het gastheerthallus veroorzaken.
Echinothecium rhizoplacae parasiteert op soorten van Rhizoplaca en op korstmossen uit de Lecanora polytropa-groep, doorgaans zonder duidelijk zichtbare beschadiging van de gastheer.
Vertegenwoordigers van het geslacht zijn onder meer bekend uit Europa, Azië en Noord-Amerika. De afzonderlijke soorten verschillen in geografische verspreiding en gastheervoorkeur.
In Nederland komt Echinothecium micareae voor. Deze soort werd in 2024 als nieuw voor de wetenschap beschreven door Jannes Boers, Paul Diederich en Henk-Jan van der Kolk. Het typemateriaal werd op 5 februari 2023 verzameld op Aekingerzand in het Nationaal Park Drents-Friese Wold, waar de schimmel op Micarea lignaria groeide.
Onderzoek van oudere herbariumcollecties leverde aanvullende vondsten op uit Nederland, de Azoren en de Canarische Eilanden. Een Nederlands exemplaar bleek al in 1993 te zijn verzameld. Volgens de NDFF Verspreidingsatlas is E. micareae in Nederland zeer zeldzaam.
Het geslacht werd in 1898 door Wilhelm Zopf geïntroduceerd met Echinothecium reticulatum als typesoort.
De systematische positie is niet volledig opgehelderd. Het geslacht is in het verleden tot de Capnodiaceae gerekend en werd later ondergebracht bij de Mycosphaerellaceae. Species Fungorum volgt deze laatste indeling, terwijl andere taxonomische overzichten het geslacht voorlopig als incertae sedis binnen de Dothideomycetes beschouwen. Moleculaire gegevens ontbreken voor een definitieve fylogenetische plaatsing.
Ook de afgrenzing ten opzichte van Sphaerellothecium is onderwerp van onderzoek geweest. Morfologische overeenkomsten leidden tot voorstellen om beide geslachten samen te voegen. Roux en Pinault (2021) onderbouwden echter het behoud van Echinothecium als zelfstandig geslacht, onder meer op basis van verschillen in het hamathecium.
Species Fungorum vermeldt zes soortnamen als geaccepteerd binnen Echinothecium. De volgende vijf namen worden ook in recentere taxonomische literatuur als soorten van het geslacht behandeld:
| Wetenschappelijke naam | Auteur(s) | Jaar | Gastheer (voorbeelden) |
|---|---|---|---|
| Echinothecium aerophilum | Alstrup & M.S.Cole | 1998 | Alectoria sarmentosa |
| Echinothecium hypogymniae | Zhurb. | 2019 | Hypogymnia-soorten |
| Echinothecium micareae | Boers, Diederich & van der Kolk | 2024 | Micarea lignaria |
| Echinothecium reticulatum | Zopf | 1898 | Parmelia-soorten |
| Echinothecium rhizoplacae | Pinault & Cl.Roux | 2021 | Rhizoplaca-soorten en Lecanora-soorten |
De eveneens door Species Fungorum vermelde naam Echinothecium cladoniae Keissl. (1930) wordt in verschillende taxonomische publicaties als niet geldig gepubliceerd (nomen nudum) beschouwd. Het oorspronkelijk onder deze naam beschreven materiaal wordt in verband gebracht met Niesslia keissleri. Niet alle latere vondsten onder de naam E. cladoniae hoeven echter tot dezelfde soort te behoren.
Echinothecium glabrum M.S.Christ., Alstrup & D.Hawksw. (1990) wordt tegenwoordig als synoniem van Sphaerellothecium araneosum beschouwd en is daarom niet in de soortenlijst opgenomen.