Henry's den

Henry's den
IUCN-status: Gevoelig
Henry's den
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (planten)
Stam:Embryophyta (landplanten)
Klasse:Spermatopsida (zaadplanten)
Clade:Naaktzadigen
Orde:Coniferales (coniferen)
Familie:Pinaceae (dennenfamilie)
Geslacht:Pinus (den)
Soort
Pinus henryi
Mast. (1902)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Henry's den op Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De Henry's den (Pinus henryi) is een soort uit de dennenfamilie (Pinaceae), die van nature voorkomt in China, waar de soort voorkomt in de provincies Chongqing, Hubei, Hunan, Shaanxi en Sichuan. Sommige bronnen vermelden de soort ook in de Vietnamese provincies Ha Giang en Bac Kan. Henry's den groeit in subtropische berggebieden, doorgaans op hoogtes van 1100 tot 2000 meter, en vooral op droge, zonnige hellingen.

Beschrijving

De Henry's den groeit als een groenblijvende boom en bereikt een hoogte tot 25 meter. De stam vormt een doorlopende as en bereikt een diameter op borsthoogte van maximaal 1 meter. De verweerde bast van de stam is grijs en schilferig; hij breekt in grote, onregelmatig gevormde platen die in grote of kleine stukken afbladderen. De takken zijn gedraaid, spreidend of hangend en vormen een koepelvormige tot platte kroon. De twijgen met naalden zijn stijf; de bast is kaal en ruw door de naaldkussentjes die achterblijven nadat de naalden zijn afgevallen. De bast is roodbruin en in het eerste jaar meestal blauwachtig berijpt, maar kleurt later lichtbruin, grijsbruin of grijs.

Vegetatieve knoppen zijn langwerpig, spits en licht harsachtig. Eindknoppen zijn ongeveer 20 millimeter lang. De knopschubben liggen aangedrukt tegen de knop en zijn lichtbruin. De naalden groeien in paren binnen een blijvende schede aan de basis, die 10 tot 15 millimeter lang is. De naalden zijn groen, spreidend, recht of gebogen, zacht, 7 tot 12 centimeter lang, 0,7 tot 1 millimeter breed en vaak licht gedraaid. De randen van de naalden zijn fijn gezaagd en de punten zijn scherp of toegespitst. Op alle zijden van de naalden zijn lijnen van huidmondjes zichtbaar. De naalden blijven twee tot drie jaar aan de boom zitten.

De mannelijke kegels (stuifmeelkegels) groeien in spiraalsgewijs gerangschikte trossen aan de basis van jonge twijgen. De mannelijke kegels zijn geel en kort-cilindervormig, met een lengte van ongeveer 2 centimeter. De vrouwelijke kegels (zaadkegels) groeien afzonderlijk of in paren op korte stelen. Rijpe vrouwelijke kegels zijn eivormig en bijna symmetrisch in gesloten toestand, met een lengte van 2,5 tot 5 centimeter; in geopende toestand hebben ze een diameter van 2,5 tot 5 centimeter. De zaadschubben zijn bruin, dun-houtig, stijf en langwerpig tot omgekeerd eirond. Met uitzondering van de schubben aan de basis staan ze wijd open en buigen ze naar achteren. De apofyse is aanvankelijk groen en wordt bij rijpheid glanzend of roodbruin; de vorm varieert en de apofyse is slechts licht verheven, voorzien van een dwarsliggende kiel of vier radiale richels. De umbo is ingedrukt en draagt een klein stekeltje. De kegels blijven nog enkele jaren aan de boom hangen nadat ze hun zaden hebben vrijgegeven.

De lichtbruine en vaak gevlekte zaden zijn langwerpig-eivormig, met een lengte van 3,5 tot 5 millimeter en een diameter van 2 tot 3 millimeter. De donkerbruine vleugel is 9 tot 12 millimeter lang en 4 tot 5 millimeter breed.

De bestuiving vindt plaats in maart–april. Het zaad rijpt ongeveer 16–18 maanden later, in augustus–oktober van het daaropvolgende jaar.