Sombere vezelkop

Sombere vezelkop
Sombere vezelkop
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Inocybaceae
Geslacht:Inocybe
Soort
Inocybe fuscidula
Velen. (1920)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De sombere vezelkop (Inocybe fuscidula) is een plaatjeszwam uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met bomen en groeit op de grond in bossen, lanen en parken. De wetenschappelijke naam werd in 1920 gepubliceerd door de Tsjechische mycoloog Josef Velenovský.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Hoed

De hoed is doorgaans klein, ongeveer 1–3 cm breed. Aanvankelijk is deze halfbolvormig tot klokvormig of kegelvormig, later gewelfd tot bijna uitgespreid, vaak met een min of meer duidelijke umbo. De kleur varieert van okerbruin tot donkerbruin, soms met een grijsachtige tint in het centrum. Bij jonge vruchtlichamen kunnen resten van een grijsachtige velipellis aanwezig zijn, vooral rondom het hoedcentrum. Het oppervlak is aanvankelijk vrij glad en wordt bij het ouder worden fijn radiaal vezelig tot enigszins barstend.

Lamellen

De lamellen staan matig dicht opeen en zijn aan de steel aangehecht. Ze zijn aanvankelijk witachtig tot lichtbeige en worden later grijsbruin of okerbruin. De lamelsnede is vaak iets lichter en fijn gewimperd.

Steel

De steel is bij de kleine vruchtlichamen ongeveer 2–4,5 cm lang en 2–3 mm dik. Hij is cilindrisch of enigszins gebogen en kan naar de voet iets verbreed zijn, zonder een duidelijk gerande knol te vormen. De kleur is aanvankelijk witachtig tot strogeel en wordt later lichtokerkleurig of bruinig. Het oppervlak is in de lengterichting vezelig. Een fijne bepoedering is vooral aan de uiterste steeltop aanwezig en kan zo zwak ontwikkeld zijn dat de steel vrijwel kaal lijkt. Jonge vruchtlichamen kunnen een cortina hebben.

Geur

De geur is zwak tot enigszins spermatisch, vooral wanneer het vruchtlichaam wordt doorgesneden.

Microscopische kenmerken

De basidiosporen zijn glad, elliptisch tot enigszins amandelvormig, met een afgeronde tot licht toegespitste top. Bij heronderzoek van het oorspronkelijke typemateriaal werden sporen gemeten van 6,2–8,9 × 3,9–5,2 µm, met een gemiddelde van 7,5 × 4,5 µm en een gemiddelde lengte-breedteverhouding (Q) van 1,7. De basidiën zijn viersporig.

De pleurocystiden meten bij het typemateriaal 52–63 × 10–15 µm. Ze zijn spoelvormig, enigszins flesvormig of urnvormig en hebben vaak kristallen aan de top. De wand is tot ongeveer 2 µm dik en kleurt in een oplossing van 3% kaliumhydroxide licht geelgroen. De cheilocystiden zijn vergelijkbaar van vorm en grootte.

In oudere beschrijvingen, waarin de soort ruimer werd opgevat, worden doorgaans grotere sporen opgegeven, ongeveer 7,5–10,5(–11) × 4,5–6 µm. Ook worden daarbij relatief grote, dikwandige cystiden en caulocystiden in het bovenste deel van de steel beschreven. De verschillen hangen mede samen met de uiteenlopende taxonomische opvattingen over deze soort.

Voor een betrouwbare determinatie is microscopisch onderzoek noodzakelijk.

Ecologie

De sombere vezelkop is een ectomycorrhizavormende schimmel die in de bodem leeft en voedingsstoffen uitwisselt met de wortels van bomen. In de traditionele Nederlandse soortopvatting wordt hij vooral aangetroffen bij eik (Quercus), beuk (Fagus) en populier (Populus), soms ook bij den (Pinus). Hij groeit in jonge bossen, houtwallen, lanen en parken, voornamelijk op kalkhoudende klei- en zandgrond.

De vruchtlichamen verschijnen doorgaans van de zomer tot in de herfst.

Verspreiding

De sombere vezelkop wordt in Europa aangetroffen. De oorspronkelijke beschrijving is gebaseerd op materiaal uit Tsjechië. Ook uit onder meer Duitsland zijn collecties onderzocht die tot deze soort of het bijbehorende soortencomplex zijn gerekend.

In Nederland is de sombere vezelkop volgens de NDFF Verspreidingsatlas algemeen. De soort staat op de Nederlandse Rode Lijst van paddenstoelen van 2008 als 'thans niet bedreigd'. De Nederlandse verspreidingsgegevens zijn gebaseerd op de traditionele, ruimere soortopvatting.

Vergelijkbare soorten

De sombere vezelkop kan worden verward met andere bruin gekleurde vezelkoppen met gladde sporen.

Taxonomie

De soort werd in 1920 door Josef Velenovský beschreven onder de naam Inocybe fuscidula. In 1985 onderzocht de Nederlandse mycoloog Thom Kuyper het oorspronkelijke typemateriaal. Hij beschouwde onder meer Inocybe brunneoatra als een synoniem van I. fuscidula.

In de traditionele soortopvatting werden ook Inocybe virgatula en Inocybe hypophaea tot dit soortencomplex gerekend. Bij een herziening in 2021 onderzochten Bandini, Oertel en Eberhardt opnieuw het typemateriaal en wezen zij een lectotype aan voor I. fuscidula. Op grond van de overeenkomsten in de microscopische kenmerken beschouwden zij I. fuscidula als een jonger synoniem van Inocybe glabripes (kleinsporige vezelkop). De eerder voorgestelde synonymie met I. virgatula werd niet gehandhaafd. De identiteit van I. hypophaea bleef onzeker.

Species Fungorum en de Nederlandse Verspreidingsatlas behandelen Inocybe fuscidula nog afzonderlijk van Inocybe glabripes.