| Kleinsporige vezelkop | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Inocybe glabripes Ricken (1911) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Inocybe microspora | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De kleinsporige vezelkop (Inocybe glabripes) is een paddenstoel uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met loofbomen en groeit voornamelijk op kalkhoudende, voedselrijke bodems in loofbossen, lanen en parken. Kenmerkend zijn de betrekkelijk kleine, bruine vruchtlichamen, de vaak gladde hoed met grijsachtige velumresten, de vrijwel onberijpte steel en de kleine, gladde sporen.
De hoed heeft een diameter van 10–30 mm. Aanvankelijk is deze bijna bolvormig, klokvormig of enigszins kegelvormig. Later wordt hij breed gewelfd tot vrijwel uitgespreid, vaak met een brede, meer of minder uitgesproken umbo. De hoedrand is bij jonge exemplaren sterk ingerold en wordt later naar beneden gebogen of recht.
De kleur varieert van okerbruin tot kastanjebruin, roestbruin of donkerbruin. Het centrum kan donkergrijs gekleurd zijn. Jonge vruchtlichamen dragen vaak opvallende grijsachtige resten van een velipellis, die zich vooral rond het centrum ophopen en daar een asgrauwe indruk kunnen geven.
Het oppervlak blijft aanvankelijk lange tijd glad of vrijwel glad. Bij oudere exemplaren kan de hoedrand fijn radiaal opensplijten, terwijl het centrum soms enigszins fijnwratig of gerimpeld wordt. Jonge vruchtlichamen kunnen resten van een vergankelijke gordijn (cortina) vertonen.
De lamellen staan matig dicht opeen. Er zijn ongeveer 35–50 volledige lamellen aanwezig, met daartussen één tot drie kortere lamellen. Ze zijn aangehecht aan de steel en enigszins buikig.
Aanvankelijk zijn ze witachtig. Later worden ze beigegrijs, grijsbruin of okerbruin, soms met roestbruine vlekken. De lamelsnede is ongelijkmatig, soms fijn gefranjerd, en witachtig tot ongeveer gelijkgekleurd met de lamelvlakken.
De steel is 20–45 mm lang en 2–3 mm dik. Hij is cilindrisch, soms gebogen en kan naar de basis toe enigszins verbreed zijn.
Jonge exemplaren zijn over de gehele steel bedekt met een ruw, witachtig vilt. Later wordt het oppervlak vezelig, overlangs gestreept of vrijwel glad. De kleur varieert van licht strokleurig tot bleek okerbruin of bruinachtig.
De steel is uitsluitend aan de uiterste top en daar slechts zeer spaarzaam berijpt. Daardoor kan hij geheel onberijpt lijken. Dit is een belangrijk determinatiekenmerk.
Het vlees is in de hoed witachtig en in de buitenste laag van de steel lichtbruin. Bij drogen treedt geen opvallende verdonkering of zwartverkleuring op.
De geur is zwak of vrijwel afwezig. Bij doorsnijden kan een lichte spermatische geur waarneembaar zijn, zoals bij verschillende andere vezelkoppen.
De basidiosporen meten 6,8–9,3 × 3,7–4,9 µm, met een gemiddelde van 7,7 × 4,3 µm. De verhouding tussen lengte en breedte (Q) bedraagt 1,5–2,2, gemiddeld 1,8. Deze waarden zijn gebaseerd op 120 sporen uit drie collecties.
De sporen zijn glad en doorgaans amandelvormig tot bijna amandelvormig. In sommige collecties komen ook bijna niervormige sporen voor. Ze hebben vaak een zwakke indeuking boven de aanhechtingsplaats, een enigszins toegespitste top en een onduidelijke pseudoporus.
De basidiën meten 21–28 × 7–9 µm en zijn doorgaans viersporig. Zelden komen tweesporige basidiën voor. Daarbij kunnen grotere sporen ontstaan, tot ongeveer 10,8 µm lang.
De pleurocystidia meten doorgaans 40–58 × 8–16 µm, met een gemiddelde van 47 × 11 µm. Ze zijn meestal spoelvormig, maar kunnen ook enigszins urnvormig zijn. Ze hebben een korte of langere hals, waarbij de overgang tussen het verbrede middendeel en de hals vaak duidelijk begrensd is. De top draagt doorgaans kristallen.
De cystidenwanden zijn aan de top tot 2,0(–2,5) µm dik en verkleuren in een oplossing van 3% kaliumhydroxide (KOH) licht geelgroenig.
De cheilocystidia lijken qua vorm en afmetingen op de pleurocystidia. De lamelsneden zijn steriel en bestaan uit cheilocystidia en enkele kleurloze, dunwandige, knotsvormige tot bijna knotsvormige paracystidia.
De caulocystidia zijn zeer schaars aanwezig, uitsluitend nabij de uiterste top van de steel. Ze meten ongeveer 40–70 × 8–15 µm en zijn enigszins urnvormig tot bijna cilindrisch, met of zonder korte hals. Hun toppen dragen doorgaans kristallen. De wanden zijn aan de top tot 1,5 µm dik en verkleuren in 3% KOH licht geelgroenig.
De pileipellis bestaat uit een epicutis van evenwijdig verlopende hyfen van 5–12 µm breed. Deze bevatten bruin tot donkerbruin wandpigment en geïncrusteerd pigment. De daaronder gelegen subcutis bestaat uit bredere, blekere tot kleurloze elementen.
Gespen komen veelvuldig voor in alle onderzochte weefsels.
De kleinsporige vezelkop is een ectomycorrhizavormende soort die voornamelijk met loofbomen samenleeft. Als mogelijke waardbomen zijn onder meer beuk (Fagus), eik (Quercus), berk (Betula), linde (Tilia), populier (Populus) en tamme kastanje (Castanea sativa) bekend.
De soort groeit op de grond, dikwijls tussen humus of op vrijwel kale, kalkhoudende bodem. Hij wordt vooral aangetroffen in loofbossen, parken en lanen, op kalkrijk zand, leem of klei. De soort heeft een voorkeur voor voedselrijke, vaak basische bodems en komt zowel op open plaatsen als onder bomen voor.
De vruchtlichamen verschijnen doorgaans van juni tot oktober.
De kleinsporige vezelkop heeft een ruime verspreiding in Europa en komt voor van het Middellandse Zeegebied tot de boreale zone. De soort is onder meer bekend uit Duitsland, Nederland, Polen en de Baltische regio. Hij groeit vooral in het laagland en in lager gelegen bergstreken, maar is niet tot deze gebieden beperkt.
In Nederland komt de kleinsporige vezelkop 'vrij zeldzaam' voor. De soort is uit verschillende delen van het land bekend, onder meer uit gebieden met kalkhoudend zand, leem- en kleibodems. De Nederlandse vindplaatsen liggen onder andere in loofbossen, lanen, parken en jonge bosaanplant op voedselrijke bodem.
Volgens de NDFF Verspreidingsatlas is de soort in de Rode Lijst van 2008 ingedeeld in de categorie thans niet bedreigd.
De kleinsporige vezelkop kan met verschillende andere kleine, bruin gekleurde vezelkoppen met gladde sporen worden verward. Voor een betrouwbare determinatie is doorgaans microscopisch onderzoek noodzakelijk.
De soort werd beschreven door de Duitse mycoloog Adalbert Ricken. Als publicatiejaar wordt zowel 1911 als 1915 vermeld. Index Fungorum en Bandini et al. (2021) vermelden 1911, terwijl onder meer de NDFF Verspreidingsatlas 1915 opgeeft.
De naam Inocybe microspora J.E. Lange wordt als synoniem beschouwd. Ook Inocybe parvispora Alessio wordt tot de synoniemen gerekend.
In 2021 onderzochten Bandini, Oertel en Eberhardt het oorspronkelijke soortconcept opnieuw en wezen zij een neotype aan, afkomstig uit Karlsruhe in Duitsland. Het onderzochte materiaal werd ook met DNA-sequenties gedocumenteerd.
De onderzoekers beschouwden tevens Inocybe fuscidula Velen. als een jonger synoniem van I. glabripes. Deze opvatting wordt echter niet door alle taxonomische databanken gevolgd. Zo behandelt Species Fungorum I. fuscidula nog als afzonderlijke soort.