| Witte satijnvezelkop | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Inocybe geophylla (Bull.) P. Kumm. (1871 ) | ||||||||||||||
| Lamellen | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De witte satijnvezelkop (Inocybe geophylla) is een giftige paddenstoel uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met bomen. De geaccepteerde wetenschappelijke naam is Inocybe geophylla (Bull.) P. Kumm.; de combinatie in het geslacht Inocybe werd in 1871 gepubliceerd door Paul Kummer.
Het begrip Inocybe geophylla is in oudere literatuur ruim toegepast op verschillende sterk op elkaar lijkende soorten. Een moleculair en morfologisch onderzoek van Bandini, Oertel en Eberhardt uit 2021 wees daarom een epitype voor I. geophylla aan om het gebruik van de naam te stabiliseren. In die studie werd Inocybe xantholeuca Kuyper op basis van morfologie en DNA-gegevens als synoniem van I. geophylla beschouwd.
Dezelfde studie concludeert dat oudere beschrijvingen onder de naam I. geophylla waarschijnlijk geregeld meerdere soorten omvatten. Tot de zogenoemde geophylla-groep behoren onder andere ook I. bellidiana, I. miranda, I. posterula en I. sambucella.
De hoed is ongeveer 10–30 mm breed. Jonge exemplaren zijn bijna bolvormig, klokvormig of kegelvormig. Later wordt de hoed breed gewelfd tot uitgespreid en bezit hij doorgaans een min of meer duidelijke brede bult. De kleur is gewoonlijk witachtig tot vuilwit of beige; soms komen bleek strogele of lichtgele tinten voor. Het oppervlak is aanvankelijk glad tot zeer fijn viltig en kan later, vooral naar de rand toe, fijn radiaal vezelig worden. Bij jonge vruchtlichamen kunnen resten van een cortina aanwezig zijn.
De lamellen zijn aan de steel aangehecht. Ze zijn aanvankelijk meestal witachtig en worden later grijzig en vervolgens licht koffiebruin met een grijze tint. De lamelsnede blijft witachtig en is fijn gewimperd.
De steel meet ongeveer 15–50 × 1–5 mm en is cilindrisch of enigszins gebogen; de basis kan iets verbreed zijn. De steel is eerst witachtig en kan later bleekgeel tot zeer lichtbruin worden. Jonge exemplaren kunnen met een witachtig viltlaagje bedekt zijn. De steel is alleen nabij de top berijpt.
Het vlees is witachtig in zowel hoed als steel. De geur wordt als spermatisch beschreven en is vooral na doorsnijden waarneembaar.
De sporen zijn glad, amandelvormig tot ellipsoïde en hebben meestal een stompe top. In de moderne revisie werden bij drie onderzochte collecties sporen van 7,1–9,3 × 4,1–6,1 µm gemeten, met een gemiddelde van ongeveer 8,2 × 5,0 µm. De Q-waarde ligt tussen 1,3 en 2,0.
De basidiën zijn doorgaans viersporig. De pleurocystiden meten ongeveer 42–65 × 10–21 µm en zijn meestal buikig spoelvormig tot buikig knotsvormig. De wand is aan de top verdikt en de top draagt gewoonlijk kristallen. De cheilocystiden hebben een vergelijkbare vorm en afmeting. Caulocystiden komen alleen nabij de top van de steel voor en meten ongeveer 40–65 × 10–15(–20) µm.
De witte satijnvezelkop is een ectomycorrhizavormende soort. Volgens de Nederlandse Verspreidingsatlas is de soort in Nederland vooral verbonden met loofbomen en -struiken en wordt hij onder meer gevonden in loofbos op voedselrijke klei, waarbij humusarme klei als karakteristiek substraat wordt genoemd.
In de revisie van Bandini et al. wordt I. geophylla beschreven als een soort met een voorkeur voor kalkhoudende bodems. De onderzochte vondsten waren vaak geassocieerd met fijnspar (Picea abies), maar de soort komt ook bij loofbomen voor.
De moderne taxonomische revisie vermeldt onderzochte collecties uit Oostenrijk en Duitsland en genetisch overeenkomend materiaal uit onder andere Estland, Italië, Rusland en Zweden. Omdat de naam I. geophylla in oudere literatuur voor een complex van sterk gelijkende soorten is gebruikt, moeten oudere verspreidingsopgaven met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.
In Nederland geldt de witte satijnvezelkop volgens de NDFF Verspreidingsatlas als 'algemeen'. Deze zeldzaamheidsklasse is gebaseerd op gevalideerde waarnemingen uit de periode 2004–2023. De soort is ingedeeld als 'thans niet bedreigd' (TNB*) volgens de op de Rode Lijst van 2008 gebaseerde indeling.
De witte satijnvezelkop is giftig. In soorten van het geslacht Inocybe, waaronder I. geophylla, zijn muscarine en verwante verbindingen aangetoond. Bij I. geophylla is onder andere epi-muscarine chemisch vastgesteld.
Een klinische studie uit 2009 beschreef veertien patiënten met een muscarinesyndroom na het eten van vezelkoppen. De resterende paddenstoelen konden door een deskundige worden geïdentificeerd als Inocybe fastigiata, I. geophylla of I. patouillardii. De gemelde symptomen omvatten onder andere misselijkheid, braken, diarree, buikpijn, sterke speeksel- en traanproductie, zweten, veranderingen in de hartslag en bloeddruk, vernauwde pupillen en wazig zien. De klachten begonnen meestal binnen 15 minuten tot twee uur na consumptie; bij één patiënt duurde dit vijf uur. De patiënten werden ondersteunend behandeld, waarbij indien nodig ook atropine werd gebruikt, en herstelden in deze studie binnen twaalf uur.