| Sombere knolvezelkop | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Inocybe pseudoreducta Stangl & Glowinski (1981) | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De sombere knolvezelkop (Inocybe pseudoreducta) is een schimmel uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met bomen en wordt gekenmerkt door een bruine, vezelige hoed, een geheel of grotendeels berijpte steel en een duidelijk gerande knol aan de steelbasis. De soort werd in 1981 beschreven door Johann Stangl en Horst Glowinski.
De hoed heeft een diameter van 3 tot 5,5 cm. Aanvankelijk is deze kegelvormig gewelfd, later uitgespreid tot vlak gewelfd, met een brede, stompe umbo. Het hoedoppervlak is jong donkerbruin met roodbruine tinten en een doorschijnende okerbruine ondergrond. Bij oudere vruchtlichamen blijft het centrum donkerbruin, terwijl de rand lichter okerbruin tot kleibruin wordt. Het centrum is wollig, terwijl het oppervlak naar de rand toe radiair vezelig is. De vezels worden bij het ouder worden grover en de hoedrand kan enigszins opensplijten. Bij jonge exemplaren kan een zwak ontwikkelde velipellis aanwezig zijn.
De lamellen staan tamelijk dicht opeen, zijn tot 7 mm breed en zijn aangehecht tot bijna vrij. Ze zijn aanvankelijk vuil citroengeel tot bleek okerkleurig en worden later vuilbeige tot licht grijsbruin, soms met een olijfkleurige tint. De lamelsnede is witachtig en fijn gewimperd.
De steel is 3,5 tot 6 cm lang en 4 tot 7 mm dik. Hij is cilindrisch, soms bovenaan iets verdikt en naar de basis enigszins versmald. De basis heeft een duidelijk afgezette, gerande, witte knol die tot 12 mm breed kan worden. De steel is bleek vleeskleurig tot okerachtig met een roze of roodachtige tint. Hij is over een groot deel van zijn lengte fijn berijpt, waarbij de berijping naar beneden minder dicht wordt. Het oppervlak is enigszins zijdeachtig glanzend en overlangs gestreept. Een cortina werd bij de oorspronkelijke beschrijving niet waargenomen.
Het vlees is in de hoed wit en tot ongeveer 2,5 mm dik. In de top van de steel en in de knol is het eveneens wit, terwijl het elders licht vleeskleurig tot waterig bruinachtig kan zijn. De oorspronkelijke beschrijving vermeldt een duidelijk zurige geur. Bij later onderzochte Japanse exemplaren werd de geur als sterk visachtig beschreven.
De sporenafdruk is tabaksbruin.
De basidiosporen zijn glad, ovaal tot amandelvormig en meten 9–11,5 × 5,5–6 µm. Ze hebben een duidelijk apiculus. De basidiën meten 28–33 × 8–10 µm en zijn overwegend viersporig.
De cheilocystiden en pleurocystiden verschillen weinig van elkaar. De hymeniale cystiden meten ongeveer 47–70 × 17–25 µm en hebben een verdikte wand die in de hals tot 2,5 µm dik kan zijn. Naar de basis toe wordt deze wand dunner. Aan de top kunnen kristallen aanwezig zijn.
De caulocystiden meten 37–60 × 10–19 µm en zijn betrekkelijk dunwandig. Ze kunnen ook op het onderste deel van de steel voorkomen. De pileipellis bestaat uit hyfen die tot ongeveer 23 µm breed worden en talrijke gespen bezitten.
In de oorspronkelijke beschrijving werd vermeld dat de cystidewanden in ammoniak geel verkleuren. Kuyper (1986) onderzocht echter meerdere collecties van de typelocatie en stelde vast dat de cystidewanden in alkalische oplossing vrijwel kleurloos blijven.
De sombere knolvezelkop is een ectomycorrhizavormende schimmel. Volgens de Nederlandse Standaardlijst is de soort vooral verbonden met loofbomen en -struiken en groeit hij voornamelijk op humusrijke grond in droge, voedselrijke lanen.
De oorspronkelijke vondsten in Duitsland werden gedaan onder jonge sparren (Picea), tussen gras en naaldenstrooisel. In Japan is de soort verzameld in een bos met Japanse ceder (Cryptomeria japonica) en Castanopsis sieboldii, en in een bos met fijnspar (Picea abies). De soort is daarmee zowel uit de nabijheid van loofbomen als van naaldbomen bekend.
De sombere knolvezelkop is bekend uit Europa en Oost-Azië. De soort werd oorspronkelijk beschreven uit Duitsland, in de omgeving van Lübeck. Kuyper (1986) onderzocht daarnaast materiaal uit het huidige Tsjechië en Zwitserland. In 2002 werd de soort voor het eerst uit Japan gemeld, op basis van collecties uit de prefecturen Hokkaido en Chiba.
In Nederland is de sombere knolvezelkop 'zeer zeldzaam'. De NDFF Verspreidingsatlas kent de soort zeldzaamheidsklasse zzz toe, op basis van gevalideerde waarnemingen uit de periode 2004–2023. Voor een zekere determinatie is microscopisch onderzoek noodzakelijk.
De soort werd in 1981 door Johann Stangl en Horst Glowinski als Inocybe pseudoreducta beschreven in het tijdschrift Karstenia. Het holotype werd op 2 juli 1980 verzameld door Glowinski bij Müggenbusch, nabij Lübeck in Duitsland, en wordt bewaard in het herbarium M in München.
De soort vertoont overeenkomsten met Inocybe amblyspora, maar onderscheidt zich onder meer door de sterker radiair vezelige tot opensplijtende hoed, de meer kegelvormige sporentop en de gemiddeld bredere, dikwandigere hymeniale cystiden. Ook Inocybe leiocephala kan erop lijken, maar deze heeft doorgaans een minder duidelijk gerande knol en een meer glanzend hoedoppervlak.