Bleeksporige vezelkop

Bleeksporige vezelkop
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Inocybaceae
Geslacht:Inocybe
Soort
Inocybe soluta
Velen. (1920)
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De bleeksporige vezelkop (Inocybe soluta) is een paddenstoel uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met bomen, voornamelijk naaldbomen zoals den (Pinus) en spar (Picea). Hij groeit vooral in naaldbossen op zure, voedselarme zandgrond. De vruchtlichamen verschijnen voornamelijk van augustus tot november, met een piek in oktober.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Hoed

De hoed heeft doorgaans een diameter van 2 tot 4 cm, maar kan volgens recente beschrijvingen 1 tot 5 cm breed zijn. Aanvankelijk is hij kegelvormig tot gewelfd, later vlakker uitgespreid, meestal met een duidelijke centrale bult (umbo). De kleur varieert van hazelnootbruin tot donkerbruin, waarbij het centrum soms bijna zwartbruin wordt. De hoedrand is doorgaans lichter. Het oppervlak is radiair vezelig tot fijnviltig en kan vooral in het centrum enigszins schubbig worden. Jonge vruchtlichamen hebben een witachtige, spinnenwebachtige cortina, die spoedig verdwijnt.

Lamellen

De lamellen staan matig dicht opeen en zijn aan de steel aangehecht. Aanvankelijk zijn ze witachtig tot vuilwit en blijven relatief lang bleek. Later verkleuren ze naar beige, okerbruin of bruin, soms met een roestkleurige tint. De lamelsnede is fijn witbewimperd en vaak lichter dan de lamelvlakken. De rijpe sporen zijn relatief bleek okerkleurig, waaraan de soort zijn Nederlandse naam ontleent.

Steel

De steel is ongeveer 2 tot 7 cm lang en 3 tot 10 mm dik. Hij is cilindrisch, soms gebogen en aan de basis hooguit enigszins verbreed, zonder duidelijk afgezette knol. De kleur varieert van licht grijsbruin tot donkerbruin, waarbij het bovenste gedeelte doorgaans lichter is. De steel is aanvankelijk bedekt met fijne witachtige vezels en wordt later overwegend overlangs vezelig. De basis kan bij oudere exemplaren donkerder worden. De steel is hooguit aan de uiterste top zwak berijpt.

Vlees en geur

Het vlees is in de hoed witachtig en in de steel lichtbruin tot bruinachtig, vooral nabij de basis. De geur is zwak spermatisch en kan duidelijker worden wanneer het vruchtlichaam wordt doorgesneden.

Microscopische kenmerken

De sporen zijn relatief klein, breed ellipsoïde tot hoekig en hebben enkele lage, stompe knobbels. In omtrek zijn ze dikwijls bijna rechthoekig. Volgens onderzoek van het lectotype door Thom Kuyper (1985) meten de sporen 7,0–7,5(–8,0) × 5,0–6,0 µm, met een Q-getal van 1,2–1,4.

Bij een heronderzoek van het lectotype door Bandini en collega's (2022) werden sporen van 5,4–8,3 × 3,9–6,1 µm gemeten, met een gemiddelde van 6,8 × 5,1 µm en een gemiddelde Q van 1,3. De sporen van het in dezelfde studie aangewezen epitype meten 6,2–8,0 × 4,3–6,6 µm, met een gemiddelde van 7,0 × 5,2 µm en een gemiddelde Q van 1,4. De basidiën zijn viersporig.

De cheilocystidia en pleurocystidia zijn knotsvormig, spoelvormig tot enigszins zakvormig en hebben dunne tot licht verdikte wanden. Kuyper (1985) vermeldde voor het lectotype afmetingen van 51–60(–64) × (15–)18–22(–23) µm en een wanddikte van minder dan 1 µm. Bij het epitype werden pleurocystidia van 49–79 × 10–22 µm vastgesteld. Hun toppen dragen doorgaans geen kristallen.

Echte, dikwandige caulocystidia ontbreken op het grootste deel van de steel. Nabij de uiterste steeltop kunnen dunwandige, vaak gesepteerde cystideachtige cellen voorkomen.

Ecologie

De bleeksporige vezelkop vormt voornamelijk ectomycorrhiza met naaldbomen, waaronder grove den (Pinus sylvestris), fijnspar (Picea abies) en lariks (Larix). Minder vaak wordt hij aangetroffen bij loofbomen, waaronder eik (Quercus). Uit Scandinavië zijn ook associaties met berk (Betula) en wilg (Salix) bekend.

In Nederland groeit de soort voornamelijk in jonge naaldhoutopstanden op droge tot matig vochtige, zure en voedselarme zandgrond met weinig strooisel. Hij wordt ook aangetroffen langs bospaden en bosranden. In Drenthe is een voorkeur vastgesteld voor jonge fijnsparrenaanplanten, hoewel de soort eveneens onder grove den en lariks voorkomt.

In berggebieden van Midden-Europa wordt de soort ook gevonden in vochtige, zure naaldbossen met fijnspar of zilverspar (Abies).

Gelijkende soorten

De bleeksporige vezelkop lijkt sterk op de bruine zandvezelkop (Inocybe subcarpta). Beide soorten hebben bruine, vezelige hoeden, een niet duidelijk knolvormige steelbasis en komen vooral bij naaldbomen voor. Het onderscheid is macroscopisch moeilijk. Inocybe subcarpta heeft gemiddeld grotere sporen met duidelijker ontwikkelde knobbels en doorgaans langere hymeniale cystidia, die vaak een enigszins kopvormige top hebben.

Ook Inocybe culicis kan erop lijken. Deze soort onderscheidt zich onder meer door een doorgaans lichtere hoed met zilverbeige velumresten, gemiddeld kortere sporen en kortere hymeniale cystidia.

Voor een betrouwbare determinatie is microscopisch onderzoek noodzakelijk.

Verspreiding

De bleeksporige vezelkop komt voor in Europa en is onder meer bekend uit Nederland, Tsjechië, Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en Groot-Brittannië. De naam wordt ook vermeld in Noord-Amerikaanse soortenlijsten, maar oudere determinaties moeten met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd vanwege de gelijkenis met verwante soorten.

Nederland

In Nederland is de bleeksporige vezelkop 'vrij zeldzaam'. De soort wordt voornamelijk aangetroffen op de hogere zandgronden, onder andere in Drenthe, de Veluwe en delen van Zuid-Limburg. Volgens de Rode Lijst van 2008 heeft de soort de status 'thans niet bedreigd'.

Taxonomie

De soort werd in 1920 door de Tsjechische mycoloog Josef Velenovský beschreven als Inocybe soluta, in zijn werk České houby.

In 1985 onderzocht Thom Kuyper het oorspronkelijke materiaal en wees een collectie uit 1918 uit het Reuzengebergte in Tsjechië aan als lectotype. Hij beschouwde Inocybe brevispora, in 1955 beschreven door de Nederlandse mycoloog Huijsman, als een jonger synoniem van I. soluta.

Een taxonomische revisie door Bandini en collega's (2022), gebaseerd op morfologisch onderzoek en DNA-analyses, bracht hierin verandering. Het oorspronkelijke materiaal van I. brevispora bleek overeen te komen met Inocybe subcarpta en niet met I. soluta. In dezelfde studie werden Inocybe albofibrillosa Stangl & Schmid-Heckel en Inocybe striatorimosa P.D. Orton als jongere synoniemen van I. soluta beschouwd. Daarnaast werd een epitype aangewezen om de toepassing van de naam I. soluta te verduidelijken.