| Populiervezelkop | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Pseudosperma squamatum (J.E. Lange) Matheny & Esteve-Rav. (2019) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Inocybe squamata | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De populiervezelkop (Pseudosperma squamatum) is een paddenstoel uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met loofbomen, voornamelijk populieren (Populus). Hij groeit vooral op vochtige, voedselrijke kleigrond en is onder meer te vinden in loofbossen en populierenaanplant. Kenmerkend zijn de geel- tot okerbruine hoed met donkere, aangedrukte schubjes, de aanvankelijk geelachtige lamellen en de gladde sporen.
De hoed heeft een diameter van 1,5 tot 5 cm. Hij is aanvankelijk kegelvormig tot kegelvormig gewelfd, later vlak gewelfd en uiteindelijk uitgespreid. Een centrale umbo ontbreekt of is slechts zwak ontwikkeld. Het hoedcentrum is bruin tot donkerbruin en naar de rand toe wordt de kleur geleidelijk lichter, via okerbruin naar okergeel. Soms is een olijfgele tint aanwezig.
Rond het centrum is het hoedoppervlak gewoonlijk bedekt met aangedrukte, donkere schubjes. Naar de rand toe is het radiair vezelig. De vezels wijken weinig uiteen en bij de rand ontstaan soms fijne barstjes, maar de hoed scheurt doorgaans niet diep radiair open. Een velipellis ontbreekt of is slechts zwak ontwikkeld rond het centrum. Onder vochtige omstandigheden kunnen vrijwel gladde hoeden voorkomen.
De lamellen staan matig dicht opeen. Er zijn ongeveer 45 tot 75 volledige lamellen, met daartussen één tot drie kortere lamellen. Ze zijn 3 tot 5 mm breed, niet tot zwak buikig en smal aangehecht tot vrijwel vrijstaand. Aanvankelijk zijn ze bleekgeel, later geelachtig beige en uiteindelijk olijfgeelbruin. De lamelsnede is wit en fijnvlokkig en kan bij beschadiging geelbruin verkleuren.
De steel is 2 tot 6,6 cm lang en 4 tot 8 mm dik. Hij is cilindrisch en naar de basis soms iets verbreed, maar bezit geen duidelijk afgezette knol. De steel is gevuld en aanvankelijk witachtig. Vanuit de basis verkleurt hij geleidelijk naar geelachtig oker, bruinachtig oker of bruin.
Aan de top is de steel fijn behaard tot berijpt, terwijl het onderste deel glad tot zwak overlangs vezelig is. Een cortina werd door Kuyper niet waargenomen.
Het vlees is wit in de hoed en de steel, maar kan in de buitenste laag van de steel enigszins okerkleurig zijn.
De geur is afwezig tot enigszins zuurachtig en kan aan zure appels herinneren. De smaak wordt als weinig uitgesproken beschreven.
De basidiosporen zijn glad, overwegend regelmatig ellipsoïde tot langwerpig en soms enigszins boonvormig. Ze meten (8,5–)9,0–11,0 × 5,5–7,0(–7,5) µm. De gemiddelde afmetingen per onderzochte collectie bedragen 9,2–10,4 × 5,9–6,8 µm. Het quotiënt van de sporenlengte en -breedte (Q-waarde) bedraagt (1,3–)1,4–1,7, met een gemiddelde van 1,4–1,6.
De basidiën zijn 30–37 × 11–14 µm groot. Ze zijn overwegend viersporig, maar een minderheid is tweesporig.
De cheilocystiden meten (30–)37–58(–66) × 10–18(–20) µm. Ze zijn cilindrisch tot cilindrisch-knotsvormig, soms enigszins zakvormig, dunwandig en kleurloos. Pleurocystiden ontbreken.
Aan de top van de steel bevinden zich caulocystiden die op de cheilocystiden lijken. Soms zijn daar ook gelede haren aanwezig, waarvan de eindcel op een cheilocystide lijkt. De hyfen van de pileipellis hebben rond het hoedcentrum deels verdikte, verharde wanden, vooral bij oudere vruchtlichamen.
De populiervezelkop is een ectomycorrhizavormende schimmel die in symbiose leeft met de wortels van loofbomen. Hij wordt voornamelijk aangetroffen bij populieren (Populus), maar is ook bekend van wilgen (Salix) en elzen (Alnus). In Nederland wordt hij bij uitzondering ook bij eiken (Quercus) gevonden.
De soort heeft een voorkeur voor enigszins vochtige, voedselrijke kleigrond. In Nederland wordt hij vooral aangetroffen in loofbossen op rijke kleigrond, doorgaans op humusarme plaatsen. De vruchtlichamen verschijnen van juni tot en met oktober.
Onder vochtige microklimatologische omstandigheden kunnen exemplaren ontstaan waarvan de hoed nauwelijks schubjes draagt. Kuyper beschouwde deze vorm niet als een afzonderlijk taxon.
De soort werd in 1917 door de Deense mycoloog Jakob Emanuel Lange beschreven als Inocybe squamata. De oorspronkelijke beschrijving verscheen in Dansk Botanisk Arkiv, deel 2, nummer 7, op pagina 39. Het materiaal was afkomstig uit Denemarken, waar de soort op de grond bij populieren werd gevonden.
Lange plaatste de soort in het geslacht Inocybe. Bij latere indelingen werd hij gerekend tot de groep van vezelkoppen met gladde sporen en zonder dikwandige pleurocystiden.
In 2019 publiceerden Patrick Brandon Matheny, Alicia M. Hobbs en Fernando Esteve-Raventós een fylogenetische herziening van de familie Inocybaceae. Op basis van analyses van zes genetische merkers onderscheidden zij zeven geslachten. Hierbij werd onder meer het geslacht Pseudosperma formeel beschreven, waartoe een deel van de soorten uit de vroegere sectie Rimosae van Inocybe behoort.
Bij deze herziening werd Inocybe squamata overgebracht naar Pseudosperma onder de naam Pseudosperma squamatum. De nieuwe combinatie werd gepubliceerd door Matheny en Esteve-Raventós.
De populiervezelkop lijkt op enkele andere soorten uit het geslacht Pseudosperma. Vooral Pseudosperma spurium, voorheen Inocybe spuria, vertoont een sterke gelijkenis. Beide soorten kunnen een geel- tot okerbruine, vezelige hoed bezitten.
Pseudosperma spurium onderscheidt zich onder meer door gemiddeld smallere sporen, die vaker boonvormig zijn. De sporen van de populiervezelkop zijn overwegend ellipsoïde. De twee soorten kunnen morfologisch moeilijk van elkaar worden onderscheiden. Moleculair onderzoek kan daarom nodig zijn om de determinatie te bevestigen.
De populiervezelkop komt voor in Europa. Kuyper beschreef de soort als wijdverspreid in West-Europa en vermoedelijk minder algemeen in Midden-Europa. Hij onderzocht onder andere materiaal uit Nederland en andere Europese landen.
In 1997 publiceerde Cathy L. Cripps vondsten onder de naam Inocybe squamata uit populierenbossen in de Amerikaanse staat Montana, bij Populus tremuloides. Dit was destijds de eerste gepubliceerde melding van de soort uit Noord-Amerika.
Later onderzoek wees er echter op dat de Noord-Amerikaanse vondsten mogelijk tot de sterk gelijkende soort Pseudosperma spurium behoren. De aanwezigheid van P. squamatum in Noord-Amerika werd daarom opnieuw ter discussie gesteld.
De soort is daarnaast in de literatuur gemeld uit tropisch West-Afrika, waaronder Benin. Deze opgaven zijn opgenomen in overzichten van de Inocybaceae van West-Afrika.
In Nederland komt de populiervezelkop vrij zeldzaam voor. De soort wordt voornamelijk aangetroffen op rijke kleigronden, met name bij populieren.
Volgens het Overzicht van de Paddestoelen in Nederland uit 1995 was de soort destijds vooral verspreid in het westen van Nederland en de IJsselmeerpolders. Er werd toen een toename geconstateerd, die mogelijk samenhing met de uitbreiding van het populierenareaal.
Op de Nederlandse Rode Lijst van paddenstoelen uit 2008 staat de soort in de categorie 'thans niet bedreigd'.