Dwergvezelkop

Dwergvezelkop
Dwergvezelkop
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Inocybaceae
Geslacht:Inocybe
Soort
Inocybe squarrosa
Rea (1916)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De dwergvezelkop (Inocybe squarrosa) is een paddenstoel uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met loofbomen en is in Nederland vooral verbonden met wilgen (Salix), met name geoorde wilg (Salix aurita) en grauwe wilg (Salix cinerea). Hij groeit voornamelijk in vochtige tot natte wilgenstruwelen, onder andere op venige en kleiige bodems.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Hoed

De hoed heeft een diameter van 3–22 mm en is aanvankelijk gewelfd, later uitgespreid, doorgaans zonder duidelijke centrale bult. De kleur is geelbruin tot lichtbruin. Het oppervlak is bedekt met dicht opeenstaande, opgericht afstaande schubjes, waardoor de hoed een stekelig uiterlijk krijgt. Jonge exemplaren hebben een witachtige, spinnenwebachtige velipellis op de hoed. De schubjes vormen een belangrijk herkenningskenmerk van de soort.

Lamellen

De lamellen staan matig dicht opeen en zijn breed aan de steel aangehecht. Ongeveer 20–25 lamellen bereiken de steel, met daartussen kortere lamellen. Ze zijn 1–3 mm breed, bruinachtig tot olijfbruin en hebben een witte, fijn gewimperde tot vlokkige snede.

Steel

De steel is 15–45 mm lang en 1–3 mm dik. Hij is cilindrisch of naar boven iets verbreed en aanvankelijk gevuld, later soms hol. De kleur is bleek geelbruin, aan de top soms met een zwakke lila of roze tint. Het oppervlak is over de gehele lengte voorzien van witte, overlangse vezels. Ook aan de top is de steel niet berijpt. Bij zeer jonge exemplaren is een cortina aanwezig.

Vlees en geur

Het vlees is dun en licht geelbruin. In de steeltop kan een zwakke roze of lila tint aanwezig zijn. De geur is zwak spermatisch, vooral na doorsnijden. Bij het drogen kan een lichte geur ontstaan die aan geranium doet denken.

Microscopische kenmerken

De basidiosporen zijn glad, min of meer amandelvormig en hebben een enigszins kegelvormige top. Ze meten (7,5–)8–11,5(–12,5) × 5–6 µm, met een lengte-breedteverhouding (Q-waarde) van ongeveer 1,6–2,1. De basidiën zijn viersporig en meten 23–31 × 7–10 µm.

De pleurocystiden meten (42–)43–66(–73) × (12–)14–22(–26) µm. Ze zijn meestal buikig tot urnvormig en hebben vaak een enigszins kopvormig versmalde top. Hun wanden zijn kleurloos en opvallend dun, doorgaans minder dan 0,5 µm dik. Kristallen aan de top ontbreken meestal of zijn nauwelijks ontwikkeld. De pleurocystiden komen verspreid voor.

De cheilocystiden lijken qua vorm op de pleurocystiden, maar zijn talrijker aanwezig. Daarnaast komen knotsvormige, dunwandige en kleurloze paracystiden voor. Echte caulocystiden ontbreken; soms zijn aan de uiterste steeltop enkele weinig gedifferentieerde, cystideachtige haren aanwezig.

Ecologie

De dwergvezelkop groeit op de grond en vormt ectomycorrhiza met loofbomen. In Nederland wordt hij voornamelijk aangetroffen bij geoorde en grauwe wilg, in vochtige tot natte wilgenbroekstruwelen op meestal zwak zure grond. In de Europese literatuur wordt ook een associatie met els (Alnus) vermeld.

De soort komt onder meer voor in oude struwelen op natte, vrij voedselrijke potklei en mineraliserend laagveen. Ook vochtige laagten en oevers vormen geschikte groeiplaatsen. De soort is gevoelig voor veranderingen in de waterhuishouding en voor vermesting.

De vruchtlichamen verschijnen voornamelijk van de zomer tot in de herfst. In de Europese literatuur zijn ook voorjaarsvondsten vermeld.

Vergelijkbare soorten

De dwergvezelkop kan worden verward met andere vezelkoppen met een sterk geschubde hoed, waaronder de Schubbige vezelkop (Inocybe hystrix). Deze soort heeft doorgaans grotere vruchtlichamen, met een hoed van 15–40 mm, en bezit ook op de steel duidelijk afstaande bruine schubben. Bovendien zijn de hymeniale cystiden van de geschubde vezelkop over het algemeen langer en duidelijk dikwandiger.

Ook Inocybe griseoscabrosa vertoont overeenkomsten. Deze soort onderscheidt zich onder meer door gemiddeld grotere sporen van 10–13 × 5,5–6,5 µm. Voor een betrouwbare determinatie van de dwergvezelkop is microscopisch onderzoek nodig.

Verspreiding

De dwergvezelkop komt voor in Noordwest- en Midden-Europa. Door zijn geringe afmetingen en gespecialiseerde standplaats wordt de soort mogelijk over het hoofd gezien.

Nederland

In Nederland komt de dwergvezelkop zeldzaam voor. De soort is bekend van verspreid gelegen vindplaatsen, vooral in vochtige gebieden met geschikte wilgenstruwelen. Volgens de NDFF Verspreidingsatlas is hij opgenomen op de Nederlandse Rode Lijst van 2008 in de categorie 'Bedreigd'. De soort is in het verleden achteruitgegaan, waarbij verdroging en vermesting als belangrijke bedreigingen worden beschouwd.

In de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe uit 2014 worden drie vindplaatsen beschreven: Natuurschoon bij Roden (2007), het Friesche Veen bij Paterswolde (2008) en de westelijke oever van het Zuidlaardermeer (2009). Op deze plaatsen groeide de soort in oude struwelen van grauwe wilg op natte, voedselrijke potklei of mineraliserend laagveen.

Foto's