| Jan Toorop | ||||
|---|---|---|---|---|
Portret van Toorop op latere leeftijd door Willem Witsen | ||||
| Persoonsgegevens | ||||
| Geboortenaam | Johannes Theodorus Toorop | |||
| Bijnaam | Jan, Jean Theodoor Toorop | |||
| Geboren | Poerworedjo (Nederlands-Indië), 20 december 1858 | |||
| Overleden | Den Haag, 3 maart 1928 | |||
| Geboorteland | Nederlands-Indië | |||
| Begrafenis/ |
7 maart 1928 | |||
| Nationaliteit | Nederland | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Opleiding gevolgd aan | Technische Universiteit Delft, Rijksakademie van beeldende kunsten | |||
| Leermeester | August Allebé | |||
| Beroep | beeldend kunstenaar | |||
| Werkveld | schilderkunst, keramische kunst, glas-in-loodproductie, postzegelontwerp, grafische vormgeving | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Leerling(en) | Otto van Rees | |||
| Jaren actief | 1873 - 1928 | |||
| Stroming | impressionisme, pointillisme, symbolisme, jugendstil | |||
| Bekende werken | Portret van Annie Hall in Lissadell, Kenley, Surrey, De schelpenvisser, Broek in Waterland, The Sphinx | |||
| Werkt samen met | Miek Janssen | |||
| Erkenning en lidmaatschap | ||||
| Lid van | Arti et Amicitiae, Les XX | |||
| Archieflocatie | Departementsarchief van Yvelines | |||
| Kunstenaarsmaplocatie | Frick-kunstreferentiebibliotheek, Smithsonian American Art and Portrait Gallery-bibliotheek, National Gallery of Art-bibliotheek | |||
| Prijzen en erkenningen | Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst (1887) | |||
| Handtekening | ||||
| Signatuur | ||||
| Links | ||||
| RKD-profiel | ||||
| Dbnl-profiel | ||||
| ||||
Johannes Theodorus (Jan) Toorop (ook als Jean Theodoor Toorop; Poerworedjo, 20 december 1858 – Den Haag, 3 maart 1928) was een van de belangrijkste Nederlandse beeldend kunstenaars uit de periode 1880-1910, de grootste in het tijdvak tussen Van Gogh en Mondriaan. Aanvankelijk schilderde hij in impressionistische stijl, maar na het pointillisme ontwikkelde hij zich tot symbolistisch schilder, met dien verstande dat hij in eenzelfde tijdsbestek in beide stijlen werk produceerde. Toorop was ook actief als portrettekenaar en ontwierp keramiek, reclameaffiches en boekbanden. De Nederlandse art nouveau wordt vaak met zijn werk geassocieerd. In de laatste twintig jaar van zijn leven was Toorop sterk rooms-katholiek geïnspireerd.
Toorop was de vader van Charley Toorop, grootvader van de kunstenaar Edgar Fernhout en de cineast John Fernhout en overgrootvader van Rik Fernhout.
Jan Toorop werd in 1858 geboren in Poerworedjo (nu Purworejo) op Midden-Java, Nederlands-Indië. Jan Toorops vader, Christoffel Theodoor Toorop (Pekalongan, 3 december 1827 – Buitenzorg, 6 november 1887) was tweemaal regeringsambtenaar; eerst griffier bij de landraad Bagelen en aan het eind van zijn loopbaan assistent-resident van Samban. Zijn moeder Maria Magdalena Cooke (Pasuruan, 21 juli 1837 – Buitenzorg, 2 juni 1892) was de dochter van de Engelse zeekapitein Edward Cooke en Maria Magdalena Wohlseifer, die van half-Chinese en half-Javaanse afkomst was. In 1863 verhuisde de familie naar het eiland Banka ten zuidoosten van Sumatra, waar vader Toorop administrateur werd bij een tinmijn. Tot zijn negende jaar bracht Jan daar zijn jeugd door.
De wilde en geheimzinnige natuur van het oerwoud op Banka liet op de zeer jonge Jan een blijvende indruk na. Zijn vader hem liet kennismaken met het schaduwspel van wajang-poppen, waarmee de avond kon worden gevuld. Deze ervaringen prikkelden zijn fantasie en inspireerden het spel van bewegende lijnen in zijn symbolische werken. Hij zou in zijn symboliek invloeden van het westen vermengen met die van het oosten.
Jan Toorop had een donkere huidskleur en was van gemengde afkomst, een Indo in het toenmalig taalgebruik. Zijn exotische uiterlijk had een betoverende invloed op sommige van zijn bewonderaars, met name vrouwelijke, die hij vermaakte met verzonnen verhalen over de Javaanse aristocratie. Zijn onderhoudende en beminnelijke aard bezorgde hem gemakkelijk vrienden. Toorop was kosmopoliet, maar bleef zijn Indische achtergrond trouw. In een interview zei hij hierover: "Indië kan niet uit mij worden weggedacht. De grondslag van mijn werk is Oostersch."
Na anderhalf jaar school in Batavia vertrok Jan naar Nederland om daar een betere opleiding te krijgen, terwijl zijn familie achterbleef in Nederlands-Indië.

In 1869 ging hij op tien-jarige leeftijd naar Leiden. Hij doorliep daar de eerste klassen van de Leidse HBS. In 1874 was hij op de HBS in Winterswijk. In 1875 volgde hij lessen bij Herman Johannes van der Weele in Den Haag. Daarna vertrok hij naar Delft waar hij van 1876 tot 1878 studeerde aan de Polytechnische school te Delft. Oorspronkelijk was zijn opvoeding op het commerciële gericht, maar zijn artistieke belangstelling bracht hem naar de Rijksakademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam, van 1880 tot 1882, onder leiding van August Allebé, en toen naar de kunstacademie in Brussel, bij Jean-François Portaels.

Zijn verblijf in 1883 te Brussel zou positief bepalend worden voor zijn kunstenaarsvorming. Te Machelen deelde hij een tijdlang een atelier met de symbolistische schilder William Degouve de Nuncques. Hij maakte kennis met de letterkundigen Emile Verhaeren en Maurice Maeterlinck en dompelde zich onder in het kunstzinnige avant-gardistische milieu, dat gedomineerd werd door James Ensor en Fernand Khnopff. In 1884 en 1885 maakte hij reizen naar Frankrijk en Engeland. Hij werd in 1885 al opgenomen als lid in de progressistische Belgische kunstenaarsgroep Les XX (Les Vingt, 'De Twintig') van Octave Maus. In 1890 introduceerde hij Johan Thorn Prikker in de groep.
Met zijn vriend Ensor trok hij naar Parijs en kwam er onder indruk van het pointillisme van Georges Seurat en Paul Signac. Met Verhaeren reisde hij naar Londen in 1884 en 1886. Daar werd hij getroffen door het werk van de impressionist James McNeill Whistler.
In 1886 trouwde hij met de twee jaar jongere Ierse Annie Hall. In 1887 woonden zij kort in het Nederlandse Amerongen, en van 1888 tot 1889 keerden zij weer terug in Engeland.

Van 1890 tot 1892 en van 1899 tot 1904 woonde hij in Katwijk aan Zee. Hier maakte hij onder andere De Zee (Rijksmuseum Amsterdam). In Katwijk werd in 1891 zijn dochter Charley geboren.
In Nederland ontwikkelde Toorop zijn lineair idealisme in een religieus gerichte jugendstil (art-nouveaustijl), waarmee hij de richting van het symbolisme insloeg. In 1894 maakte hij een lithografie voor de Nederlandsche Oliefabriek (NOF) ter promotie van Delftsche slaolie. Het affiche was een typisch voorbeeld van de Nederlandse jugendstil-beweging, welke soms denigrerend in Nederland en België werd aangeduid als 'slaoliestijl' verwijzend naar dit affiche. In zekere zin heeft Toorop als voorbeeld gediend voor een andere grote (Oostenrijkse) jugendstilkunstenaar, Gustav Klimt.
In 1902-'03 besteedde Toorop veel tijd aan zijn kunstwerken in de nieuwe Koopmansbeurs (tegenwoordig de Beurs van Berlage) te Amsterdam, het 'Gesamtkunstwerk' ontworpen door H.P. Berlage. Voor de hoofdingang van de Beurs ontwierp Toorop de drie grote tegeltableaus, 'Verleden, Heden en Toekomst'. Ook voor de Graanbeurszaal en de Effectenbeurszaal maakte hij tegeltableaus. Alle werken in de Beurs hebben ideële thema's zoals de emancipatie van vrouwen en de verheffing van arbeiders. Soms wordt een frappante spanning tussen deze symboliek en de kapitalistische functie van de Beurs geconstateerd. In het Beurs van Berlage Café in de oude hoofdingang aan het Beursplein is dit nog dagelijks te ervaren.
In het eind van de 19e eeuw (in 1897) woonde Toorop in een klein huisje op de Markt in Domburg, op Walcheren. Hij werkte samen met een groep bevriende schilders, onder wie Marinus Zwart, Piet Mondriaan, Jacoba van Heemskerck en Willem Vaarzon Morel. Van een gezamenlijk streven of een gemeenschappelijke stijl was geen sprake. Ieder volgde zijn individuele persoonlijkheid, maar wel zochten ze hun inspiratie onder het 'Zeeuwse Licht', in het duinlandschap, de bossen en de karakteristieke Zeeuwse bevolking. Toorop was er het middelpunt van. Hij bleef Domburg twintig jaar lang regelmatig bezoeken.
Na Domburg woonde de familie van 1904 tot 1907 in Amsterdam en daar schilderde hij landschappen en portretten in een forsere stijl. Toorop werd er voorzitter van de Moderne Kunstkring. In 1905 liet hij zich samen met zijn vrouw Annie katholiek dopen. Vanwege zijn artistieke status werd hij graag opgenomen in het katholieke kamp, dat zich nog volop emancipeerde. Dit vertaalde zich al in 1906 in een monumentale kerkelijke opdracht, namelijk om vijf tableaus te maken voor de Aloysiuskapel van de nieuwe St. Bavokathedraal te Haarlem. Voorts in reproducties van zijn religieus werk in talloze katholieke huiskamers. Overigens was niet iedere kunstbroeder over dat spirituele werk enthousiast. De door Toorop zeer bewonderde Matthijs Maris kenschetste deze reproducties als roomse veinzerij en "dead as a doornail". En van vriend Rik Roland Holst kwam in 1940 de opmerking naar buiten dat Toorops weergaloze virtuositeit maakte dat Toorop "al iets moois op papier had eer hij 't nog goed doorvoelde".
De jaren daarna zou hij steeds meer last krijgen van zijn linkerbeen, zodat het lopen hem moeilijk ging vallen. Toorop woonde op verschillende adressen in Den Haag, maar verhuisde in 1908 naar het 'zachtere' Nijmegen, waar hij tot 1916 woonde en waar hij veel van zijn religieus werk vervaardigde. Hij verkeerde er tussen progressief-katholieke intellectuelen en ontpopte zich als een katholiek voorvechter en vernieuwer van het historicisme in de katholieke kunst. Het katholicisme bood hem het geestelijk houvast dat de theosofie en ook het anarchisme hem, met zijn hang naar religieus mysticisme, eerder niet voldoende had geboden.
Hij maakte er kennis met de dichteres Miek Janssen, die een belangrijke rol in zijn leven ging spelen. Daarna ging hij weer terug naar Den Haag. De lichamelijke ongemakken speelden er steeds meer op, zodat hij in een invalidenwagen moest rijden. Op 3 maart 1928 overleed hij in zijn woonplaats, 69 jaar oud. Hij werd te ruste gelegd op de katholieke begraafplaats Sint Petrus Banden aan de Kerkhoflaan. Het graf is ontworpen door de architect A.J. Kropholler.

Op 1 juni 1886 trad Jan Toorop in het huwelijk met Annie Josephine Hall, dochter van James Hall en Annie Wood, geboren in het Ierse Sligo op 28 maart 1860, overleden in Den Haag op 10 januari 1929, bijna een jaar later dan haar man. Toorop leerde haar in 1884 kennen, toen hij in België in Machelen woonde. Zij correspondeerden met elkaar en in 1885 reisde Toorop naar Londen en naar het landgoed Kenley in Surrey om haar familie te treffen. Na hun huwelijk kregen Jan en Annie in maart 1887 een dochter, Mary Annie, die een half jaar na de geboorte stierf. In 1891 werd opnieuw een dochter geboren. Zij kreeg de voornamen Annie Caroline Pontifex, maar ze werd bekend als Charley Toorop. In 1902 schreef Toorop een brief aan zijn echtgenote, met het voorstel te scheiden, maar zij weigerde. In de jaren '90 was zij van de Church of England overgegaan naar het Rooms katholicisme en was alleen al door die omstandigheid een echtscheiding uit den boze. Jans zwaarmoedige buien, zijn bohémien-achtige levensstijl en geflirt met vrouwen legden een zware druk op de relatie. Jan Toorop liet zich in 1906 katholiek dopen. Vanaf 1912 woonden de Toorops weer samen. Het gemeenschappelijk beleefde katholicisme — zij vertrokken bijvoorbeeld naar de bedeplaats Kevelaer waar de volksdevotie diepe indruk op beiden maakte — , kwam hun verstandhouding ten goede.
In 1912 bracht de te Oosterbeek woonachtige schilderes en letterkundige Miek Janssen (1890-1953) Toorop een bezoek in zijn Nijmeegse atelier en dit bleek de start van een relatie. Zij was dichteres en een diepgelovige katholiek, die alles voor de kunst van Toorop over had en veel over hem publiceerde. Zij stond model voor een aantal van Toorops tekeningen en voor enkele figuren op de kruiswegstaties voor de Sint-Bernulphuskerk te Oosterbeek. In het begin was er sprake van een meester-leerling-verhouding. Hij was 32 jaar ouder. Maar Toorop werd sterk door haar geïnspireerd vanuit een mystiek-katholieke achtergrond. Hij had waardering voor haar gedichten en vatte uiteindelijk een vaderlijke liefde voor haar op.
Haar vader was de eigenaar van het toen bekende Hotel Schoonoord in Oosterbeek. Toorop heeft daar verschillende keren met haar gelogeerd. Hij illustreerde voor haar de dichtbundels Aan den einder (1915), Aan den bron (1916), Schaduw van den toren (1918), het spel De wroeging (1922) en haar Kruiswegstaties St. Bernulphuskerk te Oosterbeek (1922). In Aan den einder werd, naast een frontispice, een portret van Miek Janssen opgenomen. Het was niet de enige keer dat hij haar schilderde. Zo maakte hij in 1914 en 1915 twee portretstudies en hij vereeuwigde haar in verschillende versies van La Belgique sanglante (1914), waarin hij zichzelf naast haar afbeeldde. Janssen heeft waarschijnlijk ook geposeerd voor het uit datzelfde jaar daterende Het heilige schreed. Bij een tekening schreef Toorop aan mijn liefste Miek / je Olof (…) met een monogram, opgebouwd uit de letters O en M. Olof was een door Janssen gebruikte koosnaam voor Toorop. Diens vrouw Annie zag de vriendschap van het tweetal met lede ogen aan, maar Miek Janssen was tot zijn dood in 1928 een steun en toeverlaat voor hem.
Het Kotje van Toorop was oorspronkelijk een houten paviljoentje in de Zeeuwse duinen van Domburg, op initiatief van Toorop in 1912 opgetrokken en bedoeld om er exposities te organiseren voor de badgasten. Vijftien schilders hielden er een spraakmakende expositie met 82 schilderijen, aquarellen en tekeningen. Het Kotje bezweek echter binnen het jaar tijdens een storm. Een steviger constructie hield het evenmin uit. Nu is Het Kotje, aangepast door architect Cees Dam, opnieuw opgebouwd in het centrum van Domburg en genoemd naar de bekende kunstverzamelaar Marie Tak van Poortvliet. Rondom Het Kotje van Toorop bewogen zich zijn dochter Charley Toorop, Piet Mondriaan, Henri Le Fauconnier, Ferdinand Hart Nibbrig, Lodewijk Schelfhout en Jacoba van Heemskerck.
Toorop werkte naast het schilderen ook als boekbandontwerper, onder meer voor uitgever L.J. Veen, met zijn fraaie art-nouveau-banden voor boeken van Louis Couperus.
