| Johan Moliart | ||||
|---|---|---|---|---|
| Persoonlijke informatie | ||||
| Geboren | circa 1290 | |||
| Overleden | 25 mei 1356 | |||
| Functie | rentmeester, kapelaan, kanselier, raad | |||
| Functies | ||||
| 1324-1337 | rentmeester van Gelre | |||
| 1338-1343 | kanselier van Gelre | |||
| 1343-1345 | raad van Brabant | |||
| 1345-1350/1351 | kanselier van Brabant | |||
| ||||
Johan Moliart (circa 1290 - 25 mei 1356) was een Gelderse landrentmeester, kanselier en geestelijke. Hij was vertrouweling van graaf (en vanaf 1339 hertog) Reinoud II en was een van de belangrijkste bestuurders in 14e-eeuws Gelre.
Moliart was afkomstig uit een geslacht dat vanaf de 13e eeuw een belangrijke rol speelde in Zaltbommel. Zijn geboortedatum is onbekend maar zal rond het jaar 1290 hebben gelegen. Hij had broers en zussen.
Moliart verwierf meerdere kerkelijke functies. Hij was al pastoor van Tuil en kanunnik van de Sint-Walburg te Zutphen toen hij in 1328 werd aangesteld als kanunnik van het belangrijke domkapittel van Utrecht. Ook werd hij in die tijd aangesteld als kapelaan van graaf Reinoud. In 1332-1333 kreeg hij de functie van proost van het Sint-Walburgkapittel te Arnhem.
Verder verkreeg hij nog kanonikaten in het kapittel van Sint-Jan te Utrecht en de Sint-Victor te Xanten. In Nijmegen kreeg hij een aanstelling als rector van de Sint-Nicolaaskapel op het Valkhof.
Binnen het bestuur van Gelre nam Moliart een belangrijke positie in. Vanaf 1324 werkte hij als rentmeester voor graaf Reinoud II. Mogelijk oefende hij deze functie zelfs al uit sinds 1318, het jaar dat Reinoud de feitelijke macht overnam in Gelre. Moliart bleef tot eind 1337 aan als rentmeester. Hij had zich sinds 1334 ontwikkeld tot de belangrijkste raad van Reinoud en vanaf 1338 stond hij aan het hoofd van de hertogelijke kanselarij.
Moliart speelde een belangrijke rol bij de ontginning van woeste gronden op de Veluwe, bij Groesbeek en ten zuiden van Goch en in de verdeling van gemene gronden. Hiermee wist hij de inkomsten voor Gelre flink te verhogen, want de gronden werden uitgegeven in ruil voor cijns en andere betalingen. Verder zou hij betrokken zijn geweest bij de bouw van het kasteel Tolhuis in Tiel, dat tussen 1339 en 1356 als dwangburcht werd opgetrokken. Ook verkreeg de graaf meer grip op het voor de houtwinning belangrijke Reichswald, met dank aan Moliart.
Regelmatig werd Moliart belast met diplomatieke taken. Het hertogdom had goede betrekkingen met Engeland en Moliart speelde ook hier een rol in. Verder was hij betrokken bij de contacten met Brabant en Vlaanderen.
De positie die Moliart innam in Gelres bestuur bezorgde hem niet alleen macht maar ook een enorme rijkdom. Zijn bezittingen concentreerden zich vooral in en rond Nijmegen. Hij kreeg verder het levenslange vruchtgebruik van het landsheerlijk hof te Nergena en verwierf in Weurt een grote pachthoeve die afkomstig was van de abdij Mariënweerd. Dankzij zijn afkomst uit Zaltbommel had hij ook nog bezittingen in die stad. Tot slot verkreeg hij inkomsten uit zijn diverse kerkelijke functies.
In Nijmegen liet hij tussen 1332 en 1343 een stadskasteel bouwen, dicht bij de Valkhofburcht. Deze ligging vlakbij het machtscentrum - Reinoud gebruikte de burcht immers steeds meer als landsheerlijke regeringszetel - was niet alleen praktisch, maar gaf Moliart ook status. Het stadskasteel deed in de praktijk dienst als informele kanselarij en waarschijnlijk werd het hertogelijke zegel in dit gebouw bewaard.
Moliart liet zijn rijkdom duidelijk merken en dat wekte jaloezie op bij anderen. Politiek had hij diverse tegenstanders, waarbij zijn relatie met de steeds belangrijker wordende stad Nijmegen tegen hem werkte.
Moliart was niet alleen de belangrijkste adviseur van hertog Reinoud, maar leek ook steeds meer grip op hem te krijgen. Moliart kreeg het verwijt de hertog te isoleren en hem zelfs weg te houden van zijn echtgenote, de Engelse prinses Eleonora. Volgens de kroniek van tijdgenoot Herman van Herford zou Moliart hebben gezien dat Reinoud zijn verstand verloor, en om de hertog te beschermen, schermde hij hem af van de mensen om hem heen. Het leek Moliart ook verstandiger dat Reinoud en Eleonora geen gemeenschap meer zouden hebben, dus hij hield de twee gescheiden van elkaar. Hij zou daarom zelfs het gerucht hebben verspreid dat Eleonora aan lepra leed. Volgens Van Herford was de 'manzieke' Eleonora woedend op deze aantijging.
In 1343 overleed Reinoud. Voor Moliart betekende dit het einde van zijn machtspositie. Hertogin Eleonora nam wraak: zij zette hem gevangen en nam zijn bezittingen in beslag. Moliart werd beschuldigd van zelfverrijking, vriendjespolitiek en misbruik van het hertogelijke zegel. De doodstraf hing zelfs boven zijn hoofd. Tijdens de rechtszaak zou Eleonora haar onschuld hebben aangetoond door uit de kleren te gaan, zodat iedereen kon zien dat ze geen lepra had.
Moliart wist echter te vluchten naar het hertogdom Brabant.
Eenmaal in Brabant aangekomen kreeg Moliart een functie als raad van hertog Jan III. In augustus 1345 volgde zijn benoeming tot kanselier. Op de achtergrond oefende hij invloed uit op de partnerkeuze van de jonge Gelderse hertog Reinoud III: deze moest kiezen tussen de dochter van de Engelsgezinde hertog van Gulik of de dochter van de Fransgezinde hertog van Brabant. Reinouds keuze zou van belang zijn voor de koers van Gelre en de invloed die zijn van oorsprong Engelse moeder Eleonora nog kon uitoefenen in Gelre. Uiteindelijk viel de keuze op de dochter van de Brabantse hertog en op 1 juli 1347 trouwde Reinoud met Maria van Brabant.
Waar hij in Gelre een goede relatie had met de steden, zette Moliart zich in Brabant juist in voor de beperking van de stedelijke invloeden. Dit leidde uiteindelijk ook tot zijn val en in 1350/1351 raakte hij zijn positie kwijt.
In 1351 woonde Moliart in 's-Hertogenbosch, om daarna zich in Utrecht te vestigen waar hij een woning bezat in de immuniteit van de Domkerk. Op 19 en 21 mei 1356 liet hij twee testamenten opstellen, waaruit blijkt dat hij veel van zijn verbeurd verklaarde Gelderse bezittingen inmiddels weer had teruggekregen. Hij overleed op 25 mei en liet twee dochters achter.