Ludwig Minkus (Aloisius Ludwig Minkus of Léon Fedorovich Minkus) (Wenen, 23 maart 1826 - Wenen, 7 december 1917) was een componist van balletmuziek en een vioolvirtuoos. Zijn stoffelijke resten zijn door de nationaalsocialisten in 1939 samen met die van andere Joden uitgegraven en in een massagraf gestort.
Hij is het best bekend om de balletten waar hij de muziek van verzorgde tijdens de Romanovperiode bij het Keizerlijk Ballet, waar hij benoemd was tot de eerste officiële balletcomponist bij de Keizerlijke Theaters van 1869-1870. Maar hij bleef voor deze instelling componeren tot uiterlijk 1891. Minkus creëerde bijna al zijn werk in opdracht van grote balletmeesters als Arthur Saint-Léon en Marius Petipa. Het bekendste ballet van zijn hand is La Source uit 1866, dat hij samen heeft gecomponeerd met Léo Delibes. Voorts componeerde hij de muziek van Don Quichotte uit 1869, en de hernieuwing van 1871, alsook het stuk La Bayadère uit 1877.
Onder de meest gevierde werken van Minkus bevindt zich zijn additionele muziek voor Petipa's herbewerking van Paquita uit 1881: de Grand Pas Classique, Pas de Trois (ook wel Minkus Pas de Trois genoemd) en De Kinderpolonaise Mazurka. Zijn muziek voor de Grand Pas de Deux uit Petipa's Don Quichotte, en zijn muziek voor de scène Het Koninkrijk der Schaduwen uit Petipa's La Bayadère. Minkus is ook bekend om zijn reorkestratie (1884) en additionele muziek voor Petipa's Giselle, een ballet dat grotendeels gecomponeerd werd door Adolphe Adam. Dit ballet wordt nu uitgevoerd in alle ballethuizen. Minkus' balletmuziek behoort tot de populairste, wordt opgevoerd over de hele wereld en maakt integraal deel uit van het traditionele klassieke balletrepertoire.
Minkus is een van de populairste en meest gebruikte componisten van het ballet in de loop van de 19e eeuw. Hij blijft een van de meest gekozen componisten van het genre, in theaters over de hele wereld. In de internationale balletscholen gebruiken de docenten nog steeds de memorabele melodieën van zijn balletten. Naar het einde van de 19e eeuw toe in het Keizerrijk Rusland, destijds de ongeëvenaarde metropool van het klassieke ballet, werd Minkus universeel geprezen als de meester van de balletmuziek, zelfs na de zogenoemde symfonische innovaties zoals de werken van componisten Tsjaikovski en Glazoenov. Dat kenmerk behield hij tot wanneer zijn werk alleen gereguleerd werd in Sovjet-Rusland. Met als resultaat dat gedetailleerde informatie over zijn leven zeer schaars is en moeilijk op te zoeken valt, zelfs in verschillende encyclopedieën van muzikanten en componisten. Daarin staat er van hem meestal een heel vaag artikel of wordt hij enkel genoemd in een artikel dat over een andere componist gaat. Zelfs studies van het klassieke ballet gedurende de Sovjettijd van de 19e eeuw, waarbij Minkus zeker een belangrijk figuur is, geven heel vage en vaak tegenstrijdige informatie, betreffende zijn nationaliteit, zijn plaats van geboorte, datum van geboorte, tijdstip van overlijden, zelfs over zijn voornaam.
Wat zijn familieleven betreft, zijn vrouw wordt enkel vermeld als mevrouw Minkus, en het is niet duidelijk of zij en de componist ooit kinderen hebben gekregen. Het is onbekend welke invloeden de jonge Minkus heeft ondergaan om in de richting van de muziek uit te groeien, maar in zijn jonge kindertijd of beginnende adolescentie begon Minkus viool te leren spelen, een instrument waarin hij uitblonk. Op een bepaald punt, al dan niet tijdens zijn kinder- of tienerjaren, verhuisde hij naar Wenen, waar hij enkele jaren verbleef. In zijn late tienerjaren begon hij compositie te studeren aan het conservatorium van Wenen. Hij begon zeer ernstig te componeren en vertoonde talent voor het componeren van salonstukken met vioolmuziek. Vijf muziekstukken werden uitgebracht tijdens de periode 1846-1847. Het was rond deze periode dat hij het ook probeerde als dirigent.
Begin 1846 verhuisde de 19-jarige Minkus naar Parijs, waar hij een carrière uitbouwde als violist en dirigent. In 1853 emigreerde hij naar Sint-Petersburg om de privédirigent te worden van prins Nikolaj Borisovitsj Joesoepov tot 1856 (Nikolaj is de overgrootvader van de beruchte Felix Joesoepov).
Van 1856-1861 was Minkus hoofdviolist van het Bolsjojtheater in Moskou, en algauw werd hem de dubbele positie aangeboden van zowel hoofdviolist als dirigent bij de Keizerlijke Italiaanse Opera van Moskou. In 1861 werd Minkus benoemd als concertmeester van het Bolsjojtheater, alsook aangesteld als professor in de vioolkunst in het pas opgerichte conservatorium van Moskou. In 1864 werd hij aangesteld als inspecteur van het Orkest van het Keizerlijk Theater. Zulke serieuze aanstellingen bewijzen dat er sprake was van een talent, dat in de moderne tijd vaak niet erkend wordt.
Men neemt aan dat Minkus gedurende zijn eerste jaren in Rusland zijn naam veranderde van Aloisius Ludwig Minkus in Léon Fedorovich Minkus; in Rusland echter is hij bekend onder de naam Ludwig Minkus, en niet als Léon Fedorovich Minkus. Men denkt dat Minkus, bij zijn komst in Rusland, alleen zijn voornaam Aloisius achterwege laat, omdat zijn middelnaam Ludwig doet denken aan een andere componist, Ludwig van Beethoven. Naar Ludwig, zoals de pers hem in die tijd noemt, met zijn grote aantal libretto's voor balletten die hij maakte in de jaren 1870 en 1880, wordt dan altijd verwezen als Mr. Minkus, L. Minkus, of Ludwig Minkus.
Een andere verklaring voor de naamsverandering kan samenhangen met het 19e-eeuwse Russische gebruik om de namen van niet-Russische vreemdelingen aan te passen. De naam Fedor kwam vaak ter sprake als er geen Russisch equivalent bestond voor de naam, vandaar de naam Fedorovich. Het kan zijn dat Minkus zijn eigen vader Fedor noemde, omdat in Rusland de middelnaam meestal een verwijzing is naar de patriarch van het gezin. Deze speculatie verklaart nog steeds niet de herkomst van de naam Léon. Het is ook waarschijnlijk dat Minkus niet veranderde van Ludwig Minkus naar Léon Fedorovich Minkus nadat hij Rusland aan het einde van eind 1891 had verlaten. Dat verklaart waarom hij vooral buiten Rusland bekend is onder de naam Léon Fedorovich Minkus.
Een andere mogelijke verklaring is dat Minkus zich bekeerde tot de Russisch-orthodoxe Kerk, kort na zijn aankomst in Rusland. Daardoor kreeg hij dan een Russische naam en misschien behield hij de naam uit religieuze overtuiging, terwijl hij nog steeds voortwerkte onder de naam Ludwig Minkus, als een soort van artiestennaam. Het kan ook zijn dat Léon Fedorovich een foutje is dat van bron op bron is doorgegeven tot op vandaag, en dat de componist nooit een dergelijke naam heeft gehad tijdens zijn leven.
Het lijkt erop dat Minkus zijn carrière als componist van balletmuziek begon met een Entr'acte die hij componeerde voor een herbewerking van Adolphe Adams balletstuk Orfa, dat gebracht werd door het ballet van het Bolsjojtheater in 1862. Vele bronnen stellen incorrect dat het eerste avontuur van Minkus in het componeren van balletmuziek in samenwerking zou zijn geweest met componist Édouard Deldevez, aan Paquita van het werk van Joseph Mazilier, opgevoerd in de Opéra Garnier. In de persberichten van die tijd (1846), waaronder een van Théophile Gautier, alsook in Deldevez' eigen memoires, wordt Minkus totaal niet gecrediteerd voor het werk. Minkus zou geen enkele associatie hebben met Paquita tot 1881, wanneer hij additionele muziek schrijft voor de herbewerking van Paquita door Marius Petipa.
Door zijn aanstelling als inspecteur van het Keizerlijk Orkest en hoofdviolist van het Bolsjojtheater, ontwikkelde Minkus een nauwe vriendschapsband met de Franse balletmeester Arthur Saint-Léon. Deze balletmeester heeft Minkus in 1885 de opdracht gegeven om een Entr'acte te componeren voor zijn herbewerking van het balletstuk Orfa, dat tevens op succes onthaald werd in het Bolsjojtheater. In die periode was Saint-Léon een van de meest gevierde balletmeesters in Europa – in 1860 werd hij benoemd tot Maître de Ballet (eerste balletmeester/choreograaf) bij het Keizerlijk Ballet van Sint-Petersburg. Zijn positie bracht met zich mee dat hij bij gelegenheid het werk moest opvoeren in het Bolsjojtheater. Saint-Léon verbleef in het appartement van Minkus in Moskou toen hij gedurende de winter van 1865-1866 voor het Bolsjojtheater werkte.
De entr'acte die Minkus componeerde voor zijn vriend Saint-Léon voor diens herbewerking van Orfa was zijn eerste compositie voor ballet. Vele bronnen informeren incorrect dat het eerste werk van Minkus voor het ballet een samenwerking was tussen hem en de componist Deldevez bij het stuk Paquita. Hij wordt echter nergens gecrediteerd.
Saint-Léon hernam het contact met Minkus om verschillende variaties te componeren en voor additionele Pas. De componist toonde een zeer duidelijke flexibiliteit in het maken van La Musique Dansante, wat toen in de mode was. In maart 1863 gaf Saint-Léon Minkus de opdracht om zijn eerste integrale muziekcompositie te schrijven voor een volledig ballet. Dit stuk, Fiametta, ging in première op 12 november 1863 en is een van de grote successen van het Bolsjojtheater. Saint-Léon voerde het stuk nadien op in het Keizerlijk Ballet, in een lichtjes aangepaste versie, op 13 februari 1864. Van daaruit bewerkte Saint-Léon het stuk opnieuw om het op te voeren in de Opéra Garnier op 11 juli 1864. Voor de productie in Parijs werd de naam van het stuk veranderd in Nemea. Het steeds veranderen van de titel van dit werk heeft al voor veel verwarring gezorgd tussen historici, waarbij elk van hen op een bepaald moment verklaarde dat elk werk iets geheel anders was.
In deze periode was Saint-Léon ook gastballetmeester in de Académie royale de musique in Parijs. In 1866 deed Saint-Léon weer een beroep op Minkus, ditmaal om de muziek van het balletstuk La Source te componeren. Dit stuk werd samen met de componist Léo Delibes geschreven. (Minkus verzorgde de muziek van de gehele eerste akte en de tweede scène van de derde akte, terwijl Delibes de volledige tweede akte schreef en de eerste scène van de derde akte.) De intact gebleven documenten en de persartikels geven geen uitleg waarom de opdracht verdeeld werd onder twee componisten: men geloofde dat Delibes onervaren was als componist van balletmuziek. La Source ging in première op 12 november 1866 met een bescheiden succes.
Minkus zal nog twee muziekstukken schrijven voor het ballet in opdracht van Saint-Léon, beide voor het Keizerlijk Ballet van Sint-Petersburg: het stuk Le Poisson Doré in 1867, gebaseerd op het gedicht van Aleksandr Poesjkin (Het verhaal van de visser en de vis), en het oriëntaalse stuk Le Lys (De Lelie), in 1869, waarvoor Minkus delen van zijn werk in La Source hergebruikt. Beide balletten zijn totaal niet succesvol. Door zijn associatie en vriendschap met Saint-Léon kwam Minkus in de aandachtssfeer van een andere choreograaf, Marius Petipa. Het floppen van Le Poisson Doré en Le Lys blijkt een heel dure aangelegenheid te worden voor Arthur Saint-Léon. Toen zijn contract ten einde liep in 1869, werd het niet hernieuwd. Hij vertrok kort daarna naar Parijs, waar hij op 2 september 1870 overleed.
De eerste samenwerking van Minkus met Marius Petipa was bij het balletstuk Don Quichotte, dat in première ging op 14 december 1869. Eerder werkte Petipa samen met Cesare Pugni. Niet lang daarvoor was Petipa aangesteld als Maître de Ballet. Bij het overlijden van zijn hoofdcomponist Cesare Pugni in 1870, ging Petipa het stuk Don Quichotte herbewerken, en het was Léon Minkus die het hele gebeuren op muziek zette. Minkus was Petipa opgevallen toen Minkus samenwerkte met zijn vriend Saint-Léon. Het herbewerkte stuk was een compleet succes, waardoor Minkus goede commentaren oogstte voor zijn werk, vooral voor de variatie met Spaanse melodieën die hij gebruikt had. Het was zo'n groot succes dat Minkus gepromoveerd werd tot eerste balletcomponist bij het Keizerlijk Ballet, met een salaris van 2000 roebel, wat het dubbele was van een normaal salaris in 1880.
Don Quichotte zou het begin zijn van een lange en vruchtbare samenwerking tussen Marius Petipa en Léon Minkus, met een reeks meesterwerken van Petipa gedurende de jaren 1870-1880, inclusief een van Minkus' beste werken en Petipa's meesterwerk La Bayadère in 1877.
Gedurende de periode van 1870 tot 1880 genoten zowel Minkus als Petipa van de vele successen die zij oogstten, maar in 1886 bracht de directeur van de Keizerlijke Theaters Ivan Vsevolosjki drastische veranderingen aan bij het Keizerlijk Theater van Sint-Petersburg. De veranderingen waar Vsevolosjki nu nog beroemd om is, zijn zijn verplaatsing van het Keizerlijk Ballet en de Keizerlijke Opera van het Bolsjoj Kamenny Theater (dat onveilig werd verklaard in 1886) naar het Mariinskitheater, en het vervallen van de titel eerste balletcomponist. Het laatste stuk dat Minkus schreef als eerste balletcomponist, was voor het ballet De Magische Pillen dat Petipa geschreven had, en dit was tevens het eerste nieuwe ballet dat opgevoerd werd in het Mariinskitheater.
Kort na het vervallen van de titel eerste balletcomponist zorgde Vsevolosjki ervoor meer muzikaal gesofisticeerde (of symfonische) componisten aan te trekken. Hij beoogde de balletmuziek een nieuw elan te geven, hoewel dat destijds niet echt gewaardeerd werd door het publiek en de reporters. De eerste niet-specialistische componist die muziek mocht componeren voor het Keizerlijk Ballet, was baron Boris Fitinhof-Schell, die in 1887 muziek componeerde voor het stuk De Haarlem Tulp, waarvan de choreografie werd verzorgd door Petipa's tweede balletmeester Lev Ivanov. De tweede was de Italiaanse componist Riccarde Drigo, die de muziek verzorgde voor Ivanovs Het Betoverde Bos (1887) en Petipa's De Talisman (1888). (Drigo was aangesteld als muzikale directeur van de Keizerlijke Italiaanse Opera, alsook dirigent van zowel het Keizerlijk Ballet als de Keizerlijke Opera sinds 1878.) De derde componist die ingehuurd werd door Vsevolosjki, was Michail Ivanov, die de muziek componeerde voor Marius Petipa's Vestale, wat wederom op succes onthaald werd en goede recensies kreeg in de pers.
En uiteindelijk was er nog Tsjaikovski, die de muziek verzorgde voor Petipa's De Schone Slaapster van 1890. In tegenstelling tot de publieke legende en mythe werkte Petipa het liefst met componisten die al enige ervaring hadden met het componeren van balletmuziek (een tak waarin Minkus als de beste werd beschouwd). De publieke opinie was dat symfonische componisten geen goede stukken componeerden voor balletmuziek. Zelfs na het succes van Vestale en De Schone Slaapster nam Petipa liever contact op met de componist Léon Minkus voor zijn ballet Kalkabrino, dat in première ging op 13 februari 1891. De muziek werd ontvangen als een meesterwerk en werd beschouwd als het beste werk van de componist. Ondanks het grote succes en de positieve recensies zou het ballet Kalkabrino het laatste stuk zijn dat Minkus componeerde voor het Keizerlijk Ballet.
Minkus ging met pensioen in de zomer van 1891. Ter gelegenheid van zijn pensionering werd er een groot benefietconcert te zijner ere georganiseerd, waar men vele stukken van zijn muziek opvoerde. De minister van het Keizerlijk Hof, baron Fredericks, keerde Minkus een bescheiden pensioen uit. De componist vond dit veel te weinig voor bijna dertig jaar trouwe en succesvolle dienst aan het Keizerlijk Ballet en dankzij de tussenkomst van Petipa en Vsevolosjki werd het bedrag verdubbeld. Minkus verliet wat later dat jaar Rusland voorgoed en trok zich terug in Wenen. Minkus leefde van zijn pensioen dat door de Russiche schatkist uitbetaald werd tot aan de Eerste Wereldoorlog en de Russische Revolutie. Door deze gebeurtenissen werden de financiën van Minkus verbroken, waardoor hij in armoede verzeilde tot aan zijn dood. Hij stierf door longontsteking op 7 december 1917, op de gezegende leeftijd van 91 jaar.
Het feit dat Léon Minkus de componist in obscuriteit valt, heeft veel te maken met de manier waarop men balletmuziek schreef en behandelde gedurende zijn tijd als eerste balletcomponist bij de Keizerlijke Theaters in tsaristisch Rusland. Zoals in andere delen van Europa heeft de balletmeester daar de volledige controle over de muziekstukken die hem overhandigd zijn door de componist. Het ballet van de 19e eeuw was als een huwelijk tussen dans een mime. De muziek die geleverd werd voor het ballet, moest bovenal dansbaar zijn, met een rijke, luchtige en levendige melodie. Ze diende een ongecompliceerde orkestrale structuur en een regelmatig ritmisch patroon te bezitten, in staat om er klassieke balletbewegingen op uit te voeren. Ook werd er gevraagd dat de balletmuziek voldoende dramatisch expressief zou zijn, voornamelijk voor de mime- en actietaferelen. Minkus lag onder contract voor het componeren van balletmuziek; hij schreef op commando. Hij was verplicht om voor elk nieuw seizoen nieuw werk te componeren, naast de revisie van de muziek voor al bestaande stukken en werken van Marius Petipa.
Zoals vele componisten van zijn tijd werkte Minkus zijn stukken bij op repetities. Vertrekkend vanuit de instructies van de balletmeester maakte hij muziek op bestelling. Vaak schreef Minkus vier of vijf passages voor een bepaalde variatie of Pas die gekozen werd door de choreograaf. Daarbij paste hij de muziek aan bij elke verandering. Vele van Minkus' originele werken bevatten tal van herhalingen van verschillende passages, om zo rekening te houden met het knippen in het stuk door de productie. Er zijn momenten waar Minkus muziek componeerde voor een grote groep dansers, in stukjes met telkens een openingsmelodie, vier of vijf melodische passages, en een einde. Dat werd dan aan elkaar gezet door de balletmeester naargelang hoeveel muziek hij nodig had voor zijn stuk. Nog interessanter is dat er periodes waren dat er muziek diende gecomponeerd te worden voor een Pas die al gechoreografeerd was. Minkus werd vaak verplicht om muziek van andere componisten aan te passen, in zijn eigen werken! En dit altijd op vraag van een of andere ballerina die haar favoriete Pas wilde dansen of variaties van een ander werk. Dit zorgde ervoor dat Minkus de opdracht had om tot een vlotte overgang te komen tussen de bijpassende nummers van eigen en andermans werk in een stuk.
De meeste werken van Minkus zijn in dubbele of driedubbele tijd. 2/4, 4/4, 3/4, 3/8, 6/8, 12/8 enzovoort, hoewel hij occasioneel dansen componeert in 5/4 afgewisseld met ritmes in 4/4 en 3/4 zoals de Slavendans in La Bayadère (1877). Maar de meeste van zijn werken zijn in driekwartsmaat gecomponeerd. Gaande van Hindoemaagden, onderwaternimfen, zigeuners, Spaanse toreadors, jonge radja's, boerinnen, magische feeën, goden en godinnen, prinsen en prinsessen, koningen en koninginnen, of ze nu levend waren of geesten waren, allen dansten ze op een walsritme.
Een van de sterke eigenschappen van Minkus is zijn vermogen om een variëteit van melodieën te creëren (wat een essentiële gave was en zeer belangrijk in de balletsamenleving). De ballethistoricus Konstantin Skalkovski vertelt in zijn studie dat de mars van Minkus in Roxana, de schoonheid van Montenegro (1878) het favoriete stuk blijkt te zijn van tsaar Alexander II van Rusland, die in het algemeen niet van muziek hield. Hij verklaart verder: Verschillende eenheden in onze troepen (Russisch Leger) bestormden Pleven (stad) tijdens de bevrijding van Bulgarije tijdens de Russisch-Turkse Oorlog) (1877-1878) op de mars van Minkus.
Een ander talent van Minkus was het componeren van solomuziek voor de viool, een instrument waarin hijzelf uitblonk in het bespelen ervan. Voorts had hij zeker talent om solomuziek te componeren voor de harp. Beide instrumenten zijn oververtegenwoordigd in al zijn werken. Minkus componeerde de muziek voor de viool en de harp met de geëvenaarde talenten van de bekende violist Leopold Auer en harpspeler Albert Zabel in gedachten, die beiden werkten als hoofdviolist en harpist in het orkest van het Bolsjoj Kamenni Theater en het Mariinskitheater in de late 19e eeuw.
Het orkest van Minkus was groot. Voor een van zijn werken voor het keizerlijke Rusland heeft hij nodig:
Soms maakte Minkus ook gebruik van:
Zelfs met zo'n groot ensemble zijn passages voor een volledig orkest zeldzaam. Minkus gebruikte bijna altijd dezelfde combinatie van instrumenten, tenzij er een speciale stemming gecreëerd moest worden in de muziek, terwijl hij enkel de koperblazerssectie zou gebruiken om de muziek te verzwaren wanneer nodig. In Minkus' composities wordt de overgrote meerderheid van de melodie gedragen door de eerste viool en de fluit, vaak aangevuld met tweede violen en de altviolen. Vaak zijn het twee violisten die dezelfde partituur gebruiken en om de beurt spelen, zodat de andere de bladzijden kan omdraaien. Minkus gebruikte ook liefst de basdrum net als de pizzicati van de contrabas, meestal om de maat aan te duiden. (Zijn originele orkestratie van de scène Het Koninkrijk der Schaduwen uit 1877 uit het stuk La Bayadère zit vol pizzicati voor de contrabas en de basdrum.) Op zo'n manier componeren getuigt helemaal niet van een gebrek aan verbeelding van de kant van Minkus; hij schreef gewoon op deze manier omdat dit sneller was. Vaak had hij zeer weinig tijd om te orkestreren wat er muzikaal besloten werd door de balletmeester. Om niet te vergeten dat een meer complexe muzikale structuur afgewezen zou worden door zowel de balletmeester als de dansers. In Rusland wordt Minkus zeer gerespecteerd voor zijn bekwaamheid als balletcomponist, maar in het Westen is dat een recent fenomeen. Vele muzikanten staan erom bekend weinig respect te hebben voor het genre van 19e-eeuwse balletmuziek. Vele westerse balletmaatschappijen hebben gekozen om op te treden op muziek van Minkus in verschillende reorkestraties door een aantal muzikanten, onder wie John Lanchbery. In recentere tijd hebben meer en meer balletmaatschappijen een aanzienlijke inspanning geleverd om zo dicht mogelijk bij het origineel te blijven wanneer ze een ballet opvoeren met muziek van Minkus. Door deze visie begint de muziek van de oude specialisten in het componeren van balletmuziek aan respect te winnen.
In 2001 werd er in het Kirov/Mariinskiballet (het vroegere Keizerlijk Ballet) een reconstructie opgevoerd van La Bayadère van Marius Petipa en Léon Minkus. Het werd op het podium gebracht door de Stepanov Notaties van Petipa's laatste herbewerking van het werk in 1900, waarvan een deel is ondergebracht in de Sergejevcollectie van de Harvard Universiteit Bibliotheek. Voor deze reconstructie gebruikte het Mariinskiballet de ongepubliceerde originele handgeschreven compositie van Minkus, die naar men dacht verloren was gegaan. Deze antieke versie werd onthaald als een meesterwerk in zijn genre alsook als een fenomenaal voorbeeld van een lang vervlogen tijdperk in de geschiedenis van de balletmuziek.