| Masson's den IUCN-status: Niet bedreigd | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Pinus massoniana Lamb. (1803) | ||||||||||||||
| Natuurlijk verspreidingsgebied | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De Masson's den (Pinus massoniana) is een soort uit de dennenfamilie (Pinaceae). De soortnaam *massoniana* is een eerbetoon aan de botanicus Francis Masson (1741–1805), die waarschijnlijk nooit China heeft bezocht, maar bekend werd door zijn plantenverzamelingen aan de Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika in de jaren 1770.
Het verspreidingsgebied van de twee tot drie variëteiten ligt in centraal en zuidoostelijk China, in de provincies Anhui, Fujian, Guangdong, Guangxi, Guizhou, Hainan, westelijk Henan, Hubei en Hunan, zuidelijk Jiangsu, Jiangxi, zuidoostelijk Shaanxi, Sichuan, oostelijk Yunnan, Zhejiang en Taiwan. De soort gedijt goed op zonnige en goed bewaterde plaatsen en komt niet voor in schaduwrijke gebieden. De Masson's den groeit zowel in laaglanden als in bergen tot een hoogte van 2000 meter in verschillende klimaatzones, van vochtige rivierdalen in de laaglanden tot de droge hooglanden van het binnenland van China. Over het algemeen kan de soort worden geclassificeerd als een subtropische soort. Het verspreidingsgebied valt onder winterhardheidszone 7, met een gemiddelde jaarlijkse minimumtemperatuur van -17,7 tot -12,3 °C. Deze soort is een van de economisch belangrijkste naaldbomen in China; het hout wordt op uiteenlopende manieren gebruikt en uit de hars wordt colofonium gewonnen.
In Nederland staat de Masson's den op het Landgoed Schovenhorst in Putten.
De Masson's den groeit als een groenblijvende boom die een hoogte van maximaal 45 meter kan bereiken en, met een rechte stam, een diameter van maximaal 150 centimeter. De bast van oudere bomen is grijsbruin tot roodbruin in het onderste deel, dik, ruw en schilferig, met lange verticale spleten tot 4 centimeter diep en 3 tot 4 centimeter breed. De platen zijn plat en 3 tot 5 centimeter breed. De bast in het bovenste deel, tot aan de kroon, is roodbruin, dun en schilfert af. Lenticellen zijn slechts vaag ontwikkeld. De primaire takken zijn horizontaal of rechtopstaand en worden na verloop van tijd korter. Hogere takken zijn min of meer hangend en vormen een ronde of koepelvormige kroon. De twijgen met naalden zijn dun en ruw door de achterblijvende bladkussentjes. Aanvankelijk is de bast van de twijgen geelbruin, soms met een blauwe tint en kent twee groeiperiodes per jaar. In het tweede en derde jaar wordt de bast lichtbruin. Kiemplanten hebben vijf tot acht zaadlobben van 1,5 tot 3,6 centimeter lang.
De winterknoppen zijn bruin, klein, eivormig-cilindrisch tot cilindrisch en puntig. Eindknoppen zijn ongeveer 10 millimeter lang en harsvrij. De knopschubben zijn bruin. De naalden groeien meestal in paren, zelden in groepjes van drie, binnen de blijvende bladschede van 15 tot 20 millimeter lang. De naalden zijn lichtgroen, recht of licht gebogen, dun, flexibel, licht gedraaid, 12 tot 20 centimeter lang en ongeveer 1 millimeter dik. Hun dwarsdoorsnede is halfrond en de naaldrand is fijn gezaagd. Elke naald heeft vier tot acht uitwendige harskanalen en twee vaatbundels.Aan alle kanten van de naald zijn fijne lijnen van huidmondjees zichtbaar.
De mannelijke kegels (stuifmeelkegels) groeien spiraalvormig in groepjes aan de basis van jonge twijgen. De stuifmeelkegels zijn kort cilindrisch en geel tot oranjebruin. De vrouwelijke kegels (zaadkegels) hangen en groeien meestal afzonderlijk op korte steeltjes. De vrouwelijke kegels zijn aanvankelijk groen, worden kastanjebruin als ze rijp zijn, 3 tot 9 centimeter lang, smal ovaal in gesloten toestand en symmetrisch of bijna symmetrisch in open toestand, met een diameter van 2,5 tot 5 centimeter. De vrouwelijke kegels vallen van de boom kort nadat de zaden zijn vrijgekomen. De zaadschubben zijn dun, houtachtig, stijf, langwerpig tot ovaal-langwerpig en openen zich niet wijd. De apofyse is plat of licht verhoogd, met een min of meer ruitvormige omtrek, dwars gekield en kastanjebruin van kleur wanneer rijp. De umbo is plat of licht ingezonken en stomp of kort stekelig aan het uiteinde.
De donkerbruine zaden zijn omgekeerd eivormig en 4 tot 8 millimeter lang. De blijvende vleugel is 12 tot 21 millimeter lang en 5 tot 7 millimeter breed.
De bestuiving vindt plaats in april en mei. De zaden rijpen in het tweede jaar, van oktober tot december.
De Masson's den is een van de economisch belangrijkste naaldbomen in China.
Het hout is van hoge kwaliteit, met een duidelijk verschil tussen spinthout en kernhout. Het kernhout is geelbruin met grote vaten en een lagere dichtheid van 390 tot 490 kilogram per kubieke meter. Vers gekapt spinthout is licht geelwit tot licht oranje-rood en de houtstralen zijn onopvallend. Het hout bevat 62 procent cellulose, waardoor het geschikt is voor verwerking tot papier en vezels. De soort groeit snel en wordt veelvuldig in bosplantages geteeld. Het hout uit natuurlijke bossen wordt gebruikt als constructiehout, voor spoorbielzen, multiplex, verpakkingsmateriaal, meubels, fineer en muziekinstrumenten.
Plantagehout wordt voornamelijk verwerkt tot pulp, en er worden ook hars en andere producten uit de bomen gewonnen. China is 's werelds grootste producent van hars, waarvan het grootste deel afkomstig is van de Masson's den. De Masson's den voorziet in 95% van de harsbehoefte van China en biedt werk aan ongeveer 200.000 mensen (cijfers uit 2003). Uit de bast worden tannines gewonnen, uit de naalden worden oliën geproduceerd, op de naalden worden eetbare paddenstoelen gekweekt en alle delen worden gebruikt in de traditionele Chinese geneeskunde. Het stuifmeel wordt vermalen tot een poeder voor energie en vitaliteit.
In Zuid-China wordt de boom gebruikt voor herbebossing. Buiten China wordt de Masson's den zelden geteeld, hoewel er plantages zijn in sommige Vietnamese provincies.
Afhankelijk van de auteur zijn er twee of drie variëteiten: