| Gele den | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Pinus ponderosa Douglas ex P.Lawson & C.Lawson (1826) | ||||||||||||||
| Natuurlijk verspreidingsgebied | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De gele den of ponderosaden (Pinus ponderosa) is een boomsoort uit de dennenfamilie (Pinaceae). Het chromosomenaantal bedraagt 2n = 24.[1]
In Nederland staat de gele den in het Pinetum De Dennenhorst, Lunteren, Landgoed Schovenhorst, Putten en Arboretum Poort Bulten, De Lutte.
De gele den is een groenblijvende, zeer hoogopschietende naaldboom met een hoogte tot 72 m. De boom vormt een kegelvormige kroon; ook bij oude bomen behoudt de kroon zijn slanke, puntige vorm. De rechte stam heeft een diameter tot 2,5 m. De soort is vooral te herkennen aan haar opvallende bast. Bij volwassen exemplaren heeft die een gele tot oranjerode kleur en een textuur van (zeer) brede schorsplaten met zwarte spleten ertussen. Anders dan Pinus jeffreyi heeft zij geen kenmerkende geur. De robuuste, sterk harsige twijgen zijn tot 2 cm dik, oranjebruin, later donkerder oranjebruin en ruw. De vegetatieve, eivormige tot 2 cm lange en ruim 1 cm brede knoppen zijn roodbruin. De randen van de knopschubben zijn wit gefranjerd.
De gele den heeft 18-22 cm lange en 1,2-2 mm brede, diep geelgroene naalden die op kortloten in groepjes van twee of drie bij elkaar staan. Ze hebben een fijn gezaagde rand en hebben op beide zijden lijnen bestaande uit huidmondjes. De blijvende schede is 1,5-3 cm lang. De naalden blijven 4-6 jaar aan de takken zitten. De naalden van de gele den zijn het voedsel van de rupsen van Chionodes retiniella.
De gele of rode mannelijke kegels zijn ellipsoïde-cilindrisch; wanneer ze in juni stuifmeel afgeven, zijn ze ongeveer 4 centimeter lang. De vrouwelijke kegels staan alleen of zelden in paren aan de uiteinden van de takken. De kegels zijn aanvankelijk donkerpaars en kleuren donkerbruin naarmate ze rijpen; ze zijn doorgaans 7 tot 10 centimeter lang, al variëren ze aanzienlijk in vorm en grootte. Ze rijpen in 2 jaar en laten de zaden kort daarna los, waarbij rozetten van schubben op de twijgjes achterblijven. De verdikte apofyse is mat tot glanzend, op verschillende manieren verheven en dwars gekield. De centraal staande umbo is meestal piramidevormig tot afgeknot, zelden ingedrukt, slechts scherp, of met een zeer kort puntje, of met een stekel of doorn met een brede basis. De bruine tot geelbruine, vaak donker gevlekkte zaden zijn ellipsoïde-omgekeerd eivormig en 4–9 mm lang. De vleugel is 15–25 mm.
De Flora of North America onderscheidt drie variëteiten:
De gele den groeit vooral op droge, goed gedraineerde, zandige en rotsige bodems. De soort is goed aangepast aan grote temperatuurverschillen. Ze staat te boek als pyrofyt; natuurbranden worden goed verdragen. Voor een naaldbosvormende boom heeft de gele den een lage schaduwtolerantie.
De gele den komt op grote schaal voor in het westen van Noord-Amerika. Zoals de meeste westerse dennen komt deze soort vooral voor in bergachtige gebieden. Zo komt de soort voor in de Black Hills, de Rocky Mountains, Cascade Range en de kustgebergtes.