| Pekden IUCN-status: Niet bedreigd (2011) | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Pinus rigida Mill. (1768) | ||||||||||||||
| Verspreidingsgebied | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De pekden (Pinus rigida) is een dennensoort uit de dennenfamilie (Pinaceae), die van nature voorkomt in oostelijk Noord-Amerika, voornamelijk van centraal Maine in het noorden tot Georgia in het zuiden en zo ver westelijk als Kentucky. Het wordt gevonden in omgevingen die voor andere soorten ongeschikt zouden zijn om te groeien, zoals zure, zanderige en voedselarme bodems.[4] De levensduur van een boom is ongeveer 200 jaar of langer; de maximaal geregistreerde leeftijd is 398 jaar (januari 2026). [5] Het aantal chromosomen is 2n=24.
In Nederland staat de pekden op het Landgoed De Dellen in Heerde aangeplant rond 1890, op Landgoed de Keijenberg in Renkum, Landgoed Nemelaer in Oisterwijk, Pinetum Quatrebras in Groningenen Arboretum Van Schalkwijk in Horssen.
De boom heeft een onregelmatige vorm, maar wordt 6 tot 30 meter hoog. De takken zijn meestal gedraaid en de boom snoeit zichzelf slecht. De diep tot licht geelgroene naalden zitten in bundels van drie, zijn ongeveer 6 tot 13 centimeter lang, stevig, meer dan 1 millimeter breed en vaak licht gedraaid. Op de binnen- en buitenkant zitten fijne huidmondjelijnen. De blijvende bladschede is 9-12 mm lang. De roodbruine, harsachtige knoppen zijn eivormig tot eivormig-cilindrisch, ongeveer 10-15 mm lang en hebben gefranjerde schubbenranden. De top is spits. De vrouwelijke kegels zijn 4 tot 7 centimeter lang en ovaal, met stekels op de schubben. De gele mannelijke kegels zijn cilindrisch en ongeveer 20 mm lang. De stammen zijn meestal recht met een lichte kromming en bedekt met grote, dikke, onregelmatige bastplaten. De boom heeft een groot regeneratief vermogen; als de hoofdstam wordt gekapt of beschadigd door brand, kan de boom opnieuw uitlopen uit slapende knoppen. Dit is een van de vele aanpassingen aan brand, waaronder ook een dikke bast die de gevoelige cambiumlaag beschermt tegen de hitte. Verbrande bomen vormen vaak gedrongen, gedraaide bomen met meerdere stammen als gevolg van de hergroei. Deze eigenschap maakt het een populaire soort voor bonsai.
De boom groeit snel als hij jong is en neemt onder optimale omstandigheden ongeveer 30 cm per jaar in hoogte toe, totdat de groei afneemt na 50-60 jaar. Op 90-jarige leeftijd is de jaarlijkse hoogtetoename minimaal. Bomen die in open gebieden groeien, beginnen al na drie jaar kegels te dragen, terwijl bomen in de schaduw er een paar jaar langer over doen. De vrouwelijke kegels rijpen na twee jaar. Zaadverspreiding vindt plaats in de herfst en winter, en de bomen kunnen zichzelf niet bestuiven. De donkerbruine, donkerder gevlekte, of bijna zwarte zaden zijn breed schuin omgekeerd eivormig-deltoïde en 4-5(-6) mm lang met een 15-20 mm grote vleugel.
De pekden kruist soms met andere dennensoorten, zoals Pinus taeda, Pinus echinata en Pinus serotina; de laatste wordt door sommige botanici als een ondersoort van de pekden beschouwd.
Pinus × rigitaeda is een natuurlijke hybride van Pinus taeda, die de hoge groeiwijze van Pinus taeda combineert met de winterhardheid van de pekden. Deze hybride werd gebruikt als vervanging voor Pinus taeda en is op grote schaal aangeplant in Zuid-Korea.
Omdat de boom vaak meerdere of kromme stammen heeft, is het geen belangrijke houtsoort en groeit hij ook niet zo snel als andere dennensoorten in Oost-Amerika. Hij gedijt echter goed op ongunstige standplaatsen. In het verleden was het een belangrijke bron van hars en hout voor de scheepsbouw, mijnbouw en spoorwegbielzen, omdat het hoge harsgehalte het hout beschermt tegen rotting. Daarom werd het ook gebruikt voor complexe houten constructies, zoals radiotorens.
Tegenwoordig wordt de boom voornamelijk gebruikt voor ruwe constructies, pulp, kratten en brandstof. Door de onregelmatige groei is het echter moeilijk om grote hoeveelheden hoogwaardig hout te verkrijgen en kunnen lange stukken stam erg duur zijn.
Archeologisch onderzoek wijst uit dat de Irokezen, Shinnecock en Cherokee allemaal de boom gebruikten. De Iroquois gebruikten de hars om reuma, brandwonden, snijwonden en steenpuisten te behandelen. De hars werkte ook als laxeermiddel. Zowel de Iroquois als de Shinnecock gebruikten een kompres van hout om steenpuisten te openen en abcessen te behandelen.[9] De Cherokee gebruikten het hout voor de constructie van kano's en voor decoratieve houtsnijwerken.