Japanse zwarte den

Japanse zwarte den
IUCN-status: Niet bedreigd
Japanse zwarte den
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (planten)
Stam:Embryophyta (landplanten)
Klasse:Spermatopsida (zaadplanten)
Clade:Naaktzadigen
Orde:Coniferales
Familie:Pinaceae (dennenfamilie)
Geslacht:Pinus (den)
Soort
Pinus thunbergii
Parl. (1868)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Japanse zwarte den op Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Japanse zwarte den (Pinus thunbergii) is een plantensoort uit de dennenfamilie (Pinaceae).

Door de grote weerstand tegen milieuverontreiniging en zout is dit een populaire boom voor de bosbouw. Japanse zwarte den wordt toegepast als bonsai. In Noord-Amerika is de boomsoort op grote schaal slachtoffer van de dennenhoutnematode (Bursaphelenchus xylophilus) die door kevers wordt verspreid. Vervolgens krijgt een schimmel de kans, waarna de boom sterft. Deze nematode is per ongeluk ook in Japan terechtgekomen, waardoor deze soort nu ook in het oorspronkelijk verspreidingsgebied bedreigd wordt.

Naam

In Japan is Japanse zwarte den bekend onder de triviale naam kuromatsu (黒松).

De soortaanduiding thunbergii in de wetenschappelijke naam van de soort verwijst naar Carl Peter Thunberg. Naast de correcte naam Pinus thunbergii komt soms het synoniem Pinus thunbergiana voor.

Determinatie

Japanse zwarte den is een groenblijvende naaldboom. De soort kan een hoogte bereiken van 40 m en een stamdiameter op borsthoogte tot 2 meter kan bereiken, alhoewel ze deze hoogte buiten haar oorspronkelijk verspreidingsgebied maar zelden bereikt.

De kroon is vaak gevorkt. De bast van de stam is dik en verdeeld in langwerpige, grijze, schilferige platen met een lichte roodachtige tint, gescheiden door diepe, bijna zwarte groeven. De takken groeien gespreid of opgaand en zijn soms zeer dik; ze vormen een breed kegelvormige of koepelvormige kroon. De bebladerde twijgen zijn stevig, ruw en kaal, en hebben bladkussentjes (basisresten) van afgevallen naaldbundels. De schors van jonge twijgen is geelgroen, kleurt later lichtbruin tot geelbruin en wordt uiteindelijk grijs.

De winterknoppen zijn 12 tot 20 millimeter lang, variëren in vorm van eivormig-langwerpig tot ellipsoïde-cilindervormig met een spitse punt, en kunnen harsachtig zijn. De schubben die de knoppen omhullen, zijn lichtbruin en dun, met papierachtige, grijs-witte tot zilver-witte randen. De naalden groeien in paren vanuit een blijvende schede aan de basis, die 10 tot 12 millimeter lang is. De naalden zijn recht, stijf, donkergroen en meestal gedraaid; ze zijn 7 tot 12 centimeter lang (zelden slechts 6 cm) en 1 tot 2 millimeter breed. De randen zijn fijn gezaagd en de punten zijn scherp of stekelig. Aan beide zijden zijn fijne lijntjes van huidmondjes zichtbaar. Elke naald bevat ten minste twee — meestal vier tot tien, en soms elf — harskanalen. De naaldbundels blijven twee tot drie jaar aan de boom zitten.

De mannelijke kegels zijn geel en variëren in vorm van eivormig-kegelvormig tot kort-cilindervormig; ze zijn 1 tot 1,5 centimeter lang en hebben een diameter van ongeveer 0,5 millimeter. De vrouwelijke kegels staan alleen of in kransen van twee of drie op korte steeltjes; ze vallen, samen met de kegelsteel, kort na het vrijkomen van de zaden af. In gesloten toestand zijn de vrouwelijke kegels eivormig-kegelvormig en 4 tot 6 (soms tot 7) centimeter lang; in geopende toestand zijn ze breed eivormig met een diameter van 3 tot 4,5 centimeter. Elke vrouwelijke kegel draagt ten minste 40 – doorgaans 50 tot 60, en soms tot 80 – zaadschubben. De zaadschubben zijn houtig, stijf en langwerpig; ze zijn aanvankelijk grijsbruin en kleuren bij rijpheid geelbruin. De apofyse is vrijwel vlak tot licht verheven, dwars gekield en ruitvormig of afgerond aan de bovenrand; ze is lichtbruin en min of meer glanzend. De umbo is dorsaal gelegen, klein en heeft geen stekel. De grijsbruine zaden zijn omgekeerd eivormig en enigszins afgeplat, met een lengte van 5 tot 7 millimeter. De vleugel is langwerpig, lichtbruin met donkere strepen, en 10 tot 15 millimeter lang.

De bestuiving vindt plaats in april en mei. De vrouwelijke kegels rijpen in oktober van het tweede jaar.

Fotogalerij

Verspreiding

Het oorspronkelijke verspreidingsgebied van Japanse zwarte den omvat de kustgebieden van Japan (Kyūshū, Shikoku en Honshū, maar niet Hokkaidō) en Zuid-Korea.

In Nederland komen een of meer bomen voor in de Hortus botanicus Leiden, Botanische Tuinen Universiteit Utrecht, Hortus Haren en in het Arboretum Assen. Ook bestaan er een aantal cultivars.

Gebruik

Het hout lijkt op dat van de Europese zwarte den en wordt gebruikt voor constructiehout, palen, spoorbielzen, hekwerk, transportpallets en -kisten, vloeren en houtpulp. De bomen worden aangeplant als windscherm en gebruikt om zandduinen en kustgebieden te stabiliseren. Na de sikkelcipres (Cryptomeria japonica) is de Japanse zwarte den de meest gekweekte naaldboom in Japan. Het is een veelvoorkomende sierboom in Japan en Korea, waar hij ook in traditionele Japanse tuinen wordt toegepast en als bonsai wordt gekweekt. In de Verenigde Staten, met name in New England, werden Japanse zwarte dennen op grote schaal gebruikt voor de herbebossing van kustgebieden. Gevoeligheid voor plagen en ziekten maakte echter een einde aan deze praktijk; tegenwoordig is de boom daar nog slechts sporadisch in parken en arboreta te vinden. In Korea worden de naalden in beperkte mate gebruikt bij de bereiding van gebak en medicinale frisdranken. Hoewel de boom winterhard is in Centraal-Europa, wordt hij daar niet in parken of bossen aangeplant vanwege zijn trage groei en gevoeligheid voor schade door natte sneeuw.