Politiek activisme is een verzamelbegrip voor buitenparlementaire activiteiten die als doel hebben politieke en/of maatschappelijke verandering te brengen. Activisten worden in Vlaanderen soms ook militanten genoemd. In Nederland wordt het woord "activisme" vaak geassocieerd met de activiteiten en ideologieën van mensen aan de linkerkant van het politieke spectrum, hoewel het daar niet strikt toe beperkt is. Voorbeelden van activisme zijn milieuactivisme, de verdediging van mensen- of dierenrechten, nationalisme en vakbondsactivisme. Activisme kan uitgedragen worden via de journalistiek, literatuur of moderne media, vrijwilligerswerk, petities, demonstraties of stakingen, maar ook met geweld.
De huidige politieke stromingen zijn voor een belangrijk deel geënt op het activisme uit de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Na de Franse Revolutie en tijdens de ondergang van het feodalisme ontstonden de natiestaten. Verschillende staten werden democratieën met parlementen. Daarin worden verschillende groepen binnen de samenleving door politieke partijen vertegenwoordigd, maar om hun vertegenwoordiging binnen het politieke bestel te vergroten zouden belangengroepen lobbyen, protest- en verzetsbewegingen hun onbehagen uiten met alle mogelijke media en geregeld geweld gebruiken.

Karl Marx is de belangrijkste grondlegger en theoreticus van de hedendaagse vormen van socialisme en communisme.

Aletta Jacobs was een belangrijke Nederlandse feministe.

Benito Mussolini is de stichter van het fascisme.
De bekendste vredesactivist en pacifist uit de twintigste eeuw was de Indiase jurist en politicus Mahatma Gandhi.




Politiek gemotiveerd geweld van de kant van militante activisten tegen de gevestigde orde of tussen activisten onderling, komt door de hele geschiedenis voor. Het kan onder bepaalde omstandigheden soms leiden tot een revolutie, een burgeroorlog of zelfs tot een langdurige of permanente staat van anarchie.
De strijd tussen de milities van verschillende politieke partijen tijdens de Russische Burgeroorlog en de conflicten in de Weimarrepubliek tijdens de eerste helft van het interbellum zijn beruchte voorbeelden van politiek gemotiveerd geweld tussen activisten. In Rusland winnen de bolsjewieken de strijd waarna in 1922 de Sovjet-Unie opgericht wordt. In Duitsland was het de Freikorpsen en de ordediensten van politieke partijen, zoals de KPD en de NSDAP, toegestaan om zich te organiseren, wapens te dragen en te oefenen. Politieke moorden en gevechten tussen militanten waren dien ten gevolge aan de orde van de dag. Het kostte de Duitse overheid veel moeite om de orde en de politieke stabiliteit te handhaven. Het lukte uiteindelijk niet om de democratische rechtsstaat te behouden. Daarom wordt deze periode van gewelddadigheden in de Weimarrepubliek door sommigen een sluimerende burgeroorlog genoemd om de relatie en de overeenkomsten met andere politieke conflicten zoals de Spaanse Burgeroorlog, aan te geven. In Spanje komen in 1939 de fascistische falangisten onder leiding van Francisco Franco als winnaars uit de strijd.
Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog komt politiek geweld weinig voor in de geïndustrialiseerde wereld. Spanje kreeg vanaf 1959 te maken met acties van de ETA en vanaf 1968 werd in Noord-Ierland de IRA weer actief. In verschillende landen in Indochina en Afrika strijden bevrijdingsbewegingen tegen regimes die na de dekolonisatie aan de macht gekomen zijn. In Zuid- en Midden-Amerika zijn guerrillagroepen en paramilitairen actief en vinden met enige regelmaat staatsgrepen plaats waarbij soms veel bloed kan vloeien. In het Midden-Oosten krijgen vanaf de jaren 60 militante groepen voet aan de grond die de rechtvaardiging voor hun strijd aan het Israëlisch-Palestijns conflict ontlenen.
Nederland heeft de afgelopen eeuwen relatief weinig gewelddadige politieke conflicten binnen haar landsgrenzen gekend. De gebeurtenissen tijdens het kroningsoproer in 1980 waren ongekend gewelddadig naar Nederlandse maatstaven. De situatie in België is gecompliceerder vanwege de rol die de tweetaligheid en de taalstrijd in de politiek spelen. Bovendien hebben de gebeurtenissen tijdens de Eerste Wereldoorlog diepe sporen in de Belgische samenleving nagelaten. In Vlaanderen heeft politiek activisme de betekenis gekregen van militantisme, waaronder het activisme uit de periode van de Eerste Wereldoorlog, en het taalactivisme, dat naast politiek activisme ook een taal- en cultuurstrijd omvat.
De toename van het aantal gewelddadige acties zoals tijdens de krakersrellen in Nederland, zou verband kunnen houden met het veranderde maatschappelijke klimaat in de zin van verharding en sociaal-economische individualisering. Hierdoor zou het optimisme van de jaren zeventig omgeslagen zijn in het pessimisme van de jaren tachtig. Een andere oorzaak zou kunnen liggen in het wegvallen van de linkse consensus van de jaren zeventig. In die periode verschilde de visie van de activisten op wat er allemaal mis was in de wereld niet veel met wat een groot deel van de bevolking dacht. Het wegvallen van die linkse consensus haalde de rem van het geweld.
Ook waren de bewegingen in de jaren tachtig minder verticaal georganiseerd wat wel het geval was met de revolutionaire bewegingen van de jaren zeventig. Ze kenden minder of geen politieke leiding, geen democratisch centralisme, geen interne disciplinering, geen intrede politiek en geen procedures voor uitsluiting. Zodra dan de inbedding in een progressieve consensus weg zou vallen, verdwijnen sociale cohesie en sociale controle en kunnen er zich gewelddadige kernen vormen. Hierbij heeft ook de ideologische afbraak in de jaren tachtig een zekere rol gespeeld.
In het het eerste decennium na de eeuwwisseling doet de invloed van de nieuwe media zich steeds meer gelden. Politiek activisten kunnen via internet hun boodschap gemakkelijker onder een groot publiek verspreiden. Acties kunnen ad hoc georganiseerd worden door groepen die spontaan in wisselende samenstellingen binnen verschillende sociale netwerken opereren. Daardoor kan het verloop van grote demonstraties zoals die van antiglobalisten tijdens intergouvernementele conferenties, moeilijk beheersbaar worden. Dat kan problemen opleveren bij de crowd control bij grote manifestaties en bij het voorkomen van rellen, zowel voor de autoriteiten als voor de organisatoren van de demonstraties.
De informatievoorziening via de satelliettelevisie en toegankelijkheid van sociale media en mobiel internet voor een snel groeiend deel van de wereldbevolking heeft na 2010 een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkelingen die geleid hebben tot de zogenaamde Arabische lente. Tijdens de Egyptische Revolutie begin 2011 speelde de inmenging van de kant van voetbalsupporters tijdens de rellen in Caïro een belangrijke rol. Tijdens de Port Said-stadionramp een jaar later, kregen deze gebeurtenissen een vervolg. Hooligans kunnen ook een rol spelen in rellen.