Dwergcicaden

Dwergcicaden
Fossiel voorkomen: Krijt – heden
Rododendroncicade (Graphocephala fennahi)
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Arthropoda (Geleedpotigen)
Klasse:Insecta (Insecten)
Onderklasse:Pterygota (Gevleugelde insecten)
Infraklasse:Neoptera
Orde:Hemiptera (Halfvleugeligen)
Onderorde:Auchenorrhyncha (Cicaden)
Familie
Cicadellidae
Latreille, 1802
Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Dwergcicaden op Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Insecten

Dwergcicaden of bladspringers (Cicadellidae) zijn een familie van insecten die behoren tot de onderorde cicaden (Auchenorrhyncha). Ze vormen een van de grootste en meest diverse families binnen de halfvleugeligen, met wereldwijd meer 23.000 beschreven soorten. Dwergcicaden zijn zeer kleine insecten, ze worden tussen de 3–20 millimeter in lengte. Ze zijn te herkennen aan hun wigvormige lichaam en de rij doornige stekels op de achterpoten. De achterpoten zijn krachtig en geven dwergcicaden een opvallend springvermogen.

Dwergcidaden zijn uitgesproken planteneters. Ze leggen hun eitjes in plantweefsel en doorlopen vijf nimfenstadia voordat ze volwassen (imago) worden. De monddelen zijn gespecialiseerd om het sap uit bladeren en andere plantendelen te zuigen. Deze voedingswijze kan soms aanzienlijke schade opleveren aan hun waardplanten. Bovendien zijn veel soorten een vector van virussen en fytoplasma's die de groei van planten aantasten. Hierdoor gelden sommige dwergcicaden als ernstige plaaginsecten in de landbouw.

Kenmerken

Dwergcicaden hebben slank, lang lichaam dat ongeveer 3–20 millimeter groot wordt. Sommige tropische soorten kunnen wel drie centimeter lang worden, maar dit is uitzonderlijk. Het lichaam is over het algemeen bruin of groen, soms met felgekleurde strepen of stippen. De kop is breed en van daaruit loopt het lichaam smal uit naar achteren. De antennen zijn kort en eindigen in een fijne borstel (arista). Op de bovenzijde van de kop bevinden zich de enkelvoudige ogen (ocelli).

Een van hun meest onderscheidende kenmerken zijn de achterpoten: deze zijn voorzien van rijen doornige stekels en haartjes die hen in staat stellen om met krachtige sprongen te ontsnappen aan predatoren of snel van plant tot plant te verplaatsen. De haartjes hebben daarnaast de taak om secreten (met waterafstotende stofjes of feromonen) over het lichaam te verspreiden. De tarsi (uiteinden van de poten) zijn drieledig. De voorpoten zijn naar voren gericht en in mindere mate verdikt.

Leefwijze

Dwergcicaden leven zonder uitzondering van plantensappen en zuigen het voedsel op middels de tot zuigsnuit omgebouwde monddelen. Ze zijn zeer beweeglijk. Volwassen cicaden springen of vliegen bij de geringste verstoring weg, terwijl de onvolwassen, nog ongevleugelde, cicaden naar de schaduwzijde van een blad of naald rennen. Hierdoor valt de aanwezigheid van dwergcicaden nauwelijks op.

Voortplanting

Het legsel bestaat uit honderden eitjes, verdeeld over 6 tot 8 weken.

Schade aan planten

Een aantal soorten is schadelijk in de land- en tuinbouw en met name in kassen kunnen ze massaal voorkomen. De schade bestaat uit vraatschade die zich uit in kleine stippeltjes die een rij vormen, ook kunnen verschillende plantenziektes worden overgebracht. Onder de aangetaste gewassen vallen: rijst, maïs, katoen en suikerriet.

Taxonomie

De volgende taxa zijn bij de familie ingedeeld:

Onderfamilies

Geslachten

Soorten (geslachten onzeker)

Enkele bekendere soorten met hun waardplanten

Soort Waardplanten
Aphrodes bicincta (Schrank, 1776)Astragalus alpinus, Brassica, Capsella bursa-pastoris, Cirsium, Erigeron canadensis, Lotus corniculatus, Plantago major, Rumex, Tanacetum vulgare, Taraxacum officinale, Trifolium arvense, Trifolium hybridum, Trifolium pratense, Urtica
Evacanthus interruptus (Linnaeus, 1758)Angelica archangelica, Arctium, Chamerion angustifolium, Cirsium, Eupatorium, Lamium, Petasites, Senecio, Urtica
Graphocephala fennahi Young, 1977Rhododendron ponticum
Ledra aurita (Linnaeus, 1758)Esdoorn, Alnus glutinosa, Betula, Corylus avellana, Eupatorium cannabinum, Fagus, Malus domestica, Populus tremula, Quercus pyrenaica, Quercus robur, Salix cinerea, Tilia
Empoasca decipiens Paoli, 1930Citrullus lanatus, Kornoelje, Corylus, Datura stramonium, Glycine max, Gossypium, Hedera helix, Lycopersicon, Medicago sativa, Prunus, Ricinus communis, Rozen, Rubus, Rumex, Vlier, Solanum tuberosum, Symphytum officinale, Vicia faba
Eupteryx atropunctata (Goeze, 1778)Adenostyles, Alcea rosea, Allium, Althaea officinalis, Apium, Alsem, Ballota, Beta vulgaris, Hennep, Carduus nutans, Centaurea, Cirsium, Clinopodium, Dahlia, Daucus carota, Helianthus annuus, Inula helenium, Lactuca sativa, Lamium album, Leucanthemum vulgare, Malva, Melissa officinalis, Mentha aquatica, Mentha longifolia, Mentha piperita, Nepeta, Ocimum basilicum, Origanum, Pastinaca sativa, Petasites hybridus, Phaseolus vulgaris, Rudbeckia hirta, Salvia officinalis, Salvia sclarea, Satureja, Solanum melongena, Solanum tuberosum, Stachys germanica, Tanacetum balsamita, Tanacetum vulgare, Thalictrum flavum, Verbascum thapsus, Vicia faba, Xanthium
Edwardsiana rosae (Linnaeus, 1758)Crataegus, Malus domestica, Prunus avium, Prunus dulcis, Prunus spinosa, Rosa canina, Rubus, Sorbus aucuparia
Ribautiana tenerrima (Herrich-Schäffer, 1834)Alnus glutinosa, Corylus avellana, Rubus caesius, Rubus fruticosus, Rubus idaeus
Viridicerus ustulatus (Mulsant & Rey, 1855)witte abeel, grauwe abeel

In Nederland waargenomen soorten

Bronvermelding