| Spitse spleetvezelkop | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Spitse spleetvezelkop | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Pseudosperma flavellum (P. Karst.) Matheny & Esteve-Rav. (2019) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Inocybe flavella | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De spitse spleetvezelkop (Pseudosperma flavellum) is een schimmel uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met verschillende loofbomen en soms naaldbomen. Hij groeit voornamelijk in loofbossen en parken, vaak op voedselrijke zandgrond. Kenmerkend zijn de bleekgele tot okergele, meestal weinig gespleten hoed, de lichte steel en de langwerpige, gladde sporen.
De soort werd in 1890 door Petter Adolf Karsten beschreven als Inocybe flavella. Bij een herziening van de familie Inocybaceae werd de soort in 2019 door P. Brandon Matheny en Fernando Esteve-Raventós overgebracht naar het geslacht Pseudosperma. Deze herindeling was gebaseerd op moleculair-fylogenetisch onderzoek naar de verwantschappen binnen de familie.
Thomas Kuyper onderscheidde in 1986 twee variëteiten: Inocybe flavella var. flavella en Inocybe flavella var. roseipes. De laatstgenoemde variëteit werd gekenmerkt door een roze tot roodachtige steel. De combinatie Pseudosperma flavellum var. roseipes werd in 2019 gepubliceerd, maar wordt door Species Fungorum als synoniem van Pseudosperma flavellum beschouwd.
De hoed heeft een diameter van doorgaans 22–50 mm. Hij is aanvankelijk kegelvormig en wordt later gewelfd tot bijna vlak, meestal met een min of meer duidelijke centrale bult (umbo). De kleur varieert van bleek okergeel tot geelbruin. Het centrum is vaak bleker, soms bijna witachtig, terwijl de buitenste helft duidelijker geel is. Het oppervlak is rond het centrum glad tot zijdeachtig en bij vochtig weer soms enigszins vettig. Naar de rand toe is het fijn radiaal vezelig. De vezels wijken nauwelijks uiteen en de hoedhuid vertoont aan de rand hoogstens ondiepe radiale scheurtjes. Rond het centrum kan een dunne, witachtige velipellis aanwezig zijn.
De lamellen staan matig dicht opeen en zijn ongeveer 2–4 mm breed. Ze zijn smal aangehecht tot uitgerand en aanvankelijk grijsachtig geel, later met een duidelijkere grijsgele tot okerkleurige tint. De lamelsnede is fijn vlokkig en iets lichter tot witachtig.
De steel is ongeveer 33–100 mm lang en 4–5 mm dik. Hij is cilindrisch tot enigszins knotsvormig, soms met een verdikte basis, maar zonder duidelijk gerande knol. De kleur is aanvankelijk witachtig en kan bij veroudering lichtgeel worden. Aan de top is het oppervlak fijn vlokkig of berijpt; naar beneden toe is het overlangs vezelig. Bij de vroeger onderscheiden variëteit roseipes is de steel zalmroze tot okerroodachtig, vooral na beschadiging.
Het vlees is witachtig, in de steel soms lichtgeel getint. Bij de rozevoetige vorm kan het steelvlees eveneens roze kleuren, vooral nabij de basis. De geur en smaak werden door Kuyper als onopvallend beschreven.
De sporen zijn glad, langwerpig ellipsoïde tot enigszins boonvormig en meten volgens Kuyper 8,0–12,0 × 4,5–6,0 µm. Het gemiddelde Q-getal van de onderzochte collecties varieerde van 1,7 tot 2,1.
Bij heronderzoek van het holotype door Bandini en Oertel werden sporen gemeten van 9,6–11,7 × 4,0–5,6 µm, gemiddeld 10,6 × 4,9 µm. Het Q-getal bedroeg 1,8–2,7, gemiddeld 2,2. De sporen waren langwerpig, soms bijna cilindrisch of enigszins boonvormig, met een afgeronde tot enigszins toegespitste top.
De basidien zijn overwegend viersporig en meten volgens Kuyper 28–42 × 9–13 µm. Pleurocystiden ontbreken. De cheilocystiden zijn dunwandig, kleurloos en overwegend slank cilindrisch. Kuyper vermeldde afmetingen van 27–62 × 8–14 µm. In het holotypeonderzoek van Bandini en Oertel bedroegen de afmetingen 32–55 × 8–14 µm, met een gemiddeld Q-getal van 4,3. Daarbij werden naast cilindrische ook enigszins buikige en knotsvormige exemplaren waargenomen. Aan de steeltop komen caulocystiden voor die op de cheilocystiden lijken.
De spitse spleetvezelkop leeft als ectomycorrhizasymbiont in associatie met bomen. In Nederland wordt hij voornamelijk aangetroffen in loofbossen op voedselrijke zandgrond, doorgaans op een humusrijke bodem. Ook komt hij voor in parken.
Bij de oorspronkelijk onderscheiden variëteit flavella vermeldde Kuyper associaties met beuk (Fagus), hazelaar (Corylus), populier (Populus, waaronder Canadese populier) en spar (Picea). De variëteit roseipes werd beschreven van vochtige tot moerassige standplaatsen met wilg (Salix).
In Noord-Amerika is de soort ook aangetroffen bij ratelpopulier (Populus tremuloides).
In Europa worden de vruchtlichamen vooral van juli tot oktober gevonden.
De spitse spleetvezelkop is bekend uit verschillende Europese landen, waaronder Finland, Frankrijk, Italië, Zweden en Nederland. De soort is daarnaast onder de naam Inocybe flavella gemeld uit Noord-Amerika, waaronder Montana en Idaho in de Verenigde Staten.
Ook uit Noord-Korea zijn vondsten onder de naam Inocybe flavella gepubliceerd.
In Nederland is de soort 'vrij zeldzaam'. Volgens de Verspreidingsatlas is de spitse spleetvezelkop op de Nederlandse Rode Lijst van 2008 ingedeeld in de categorie 'thans niet bedreigd'.
De spitse spleetvezelkop kan worden verward met de geelbruine spleetvezelkop (Pseudosperma rimosum). Deze heeft doorgaans een sterker radiaal gespleten hoedhuid, een meer bruinachtige hoedkleur en vaak een duidelijke spermatische geur. De spitse spleetvezelkop heeft meestal een geler en minder sterk gespleten hoedoppervlak, een onopvallende geur en relatief slanke sporen.
Moleculair onderzoek heeft binnen materiaal dat als Inocybe flavella werd gedetermineerd verschillende genetisch onderscheiden groepen aangetoond. Deze vertoonden onder meer verschillen in sporenlengte en sporenvorm. Hierdoor is microscopisch onderzoek, en bij twijfel aanvullend moleculair onderzoek, van belang voor een betrouwbare determinatie.