Roderich Mojsisovics von Mojsvár

Roderich Mojsisovics Edler von Mojsvár
Roderich Mojsisovics Edler von Mojsvár in 1932
Roderich Mojsisovics Edler von Mojsvár in 1932
Persoonsgegevens
Volledige naam Roderich Edmund Ladislaus Anton Julius Mojsisovics Edler von Mojsvár
Geboren 10 mei 1877
Overleden 30 maart 1953
Land Vlag van Oostenrijk Oostenrijk
Opleiding en beroep
Opleiding gevolgd aan Hochschule für Musik und Tanz KölnBewerken op Wikidata
Beroep(en) muziekpedagoog, dirigent en muziekcriticus
Oriënterende gegevens
Leerlingen Alois Pachernegg, Ernst Ludwig Uray, Margarethe Edle von Zieritz, Max Schönherr en Robert Lobovsky
Links
Portaal  Portaalicoon   Muziek

Roderich Edmund Ladislaus Anton Julius Mojsisovics Edler von Mojsvár (Graz, 10 mei 1877 – Bruck an der Mur, 30 maart 1953) was een Oostenrijks componist, muziekpedagoog, dirigent en muziekcriticus. Zijn vader was de uit de Hongaarse adel afkomstige anatoom en zoöloog August Mojsisovics - Edler von Mojsvár.

Levensloop

Mojsisovics studeerde rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Graz alsook - op advies van Siegmund von Hausegger - musicologie en compositie bij Erich Wolf Degner aan de School van de "Musikverein für Steiermark" (Muziekvereniging voor Stiermarken). Verder studeerde hij aan het Rheinische Musikconservatorium, nu: Hochschule für Musik und Tanz in Keulen en aan de Königliche Akademie der Tonkunst, nu: Hogeschool voor Muziek en Theater München. In 1898 en 1899 was hij 2e dirigent van de zangvereniging Grazer Schubertbund. In 1899 richtte hij de Duits-evangelische zangvereniging in Graz op en werd in 1901 hun dirigent. In 1900 promoveerde hij tot Dr. jur. (doctor in rechtsgeleerdheid).

Van 1903 tot 1905 was hij dirigent van de Männergesangverein Brünn en tegelijkertijd gastdirigent van de Duits-academische zangvereniging. Van 1905 tot 1908 ondernam hij uitgebreide concertreizen. In 1908 en 1910 was hij chef-redacteur bij het Musikalische Wochblatt (Muzikaal weekblad) in Leipzig. In 1909 werd hij directeur van de muziekschool in Ptuj, dat toen nog Pettau heette.

In 1911 werd hij tot directeur van de School van de "Musikverein für Steiermark" (Muziekvereniging voor Stiermarken) benoemd. In 1920 werd deze institutie tot conservatorium benoemd. In deze functie bleef hij tot 1932. In 1932 veranderde hij zich als docent aan het Trapp’sche Konservatorium in München. Verder was hij daar als dirigent en muziekcriticus werkzaam. Van 1941 tot 1944 was hij achtereenvolgens docent aan de conservatoria in Mannheim, Heidelberg en Bruck an der Mur. Na de oorlog doceerde hij opnieuw in Graz. Tot zijn talrijke compositieleerlingen behoorden onder anderen Waldemar Bloch, Günther Eisel, Hanns Holenia, Alois Pachernegg, Otto Siegl, Ernst Ludwig Uray, Margarethe Edle von Zieritz, Max Schönherr, Robert Lobovsky en Alfons Vodosek.

In 1925 werd hij tot professor benoemd; in 1934 ontving hij de grote staatsprijs voor muziek in Oostenrijk.

Als componist van talrijke werken was hij een vertegenwoordiger van de conservatieve richting van componisten als Max Reger beïnvloed. Na 1920 streefde hij naar simplificatie, en poogde - naast muzikale gevoelens - ook kleurimpressies op te roepen. Zijn oeuvre raakte naar zijn overleden in vergetelheid.

Composities

Werken voor orkest

Muziektheater

Opera's

Voltooid in titel aktes première libretto
1897 Die Fischer von Vimereux
1906 Ninion 1907, Bratislava
1907 Die roten Dominos 1907, Graz
1913 Tantchen Rosmarin 4 bedrijven Karl Hans Strobl,
naar de gelijknamige humoreske van Heinrich Zschokke
Messer Ricciardo Minutolo van de componist
1922 König Mensch 1922, Graz
1926 Der Zauberer 1926, Gera
1927 Die Locke, op. 72 1 akte
Claudine von Vilabella Johann Wolfgang von Goethe
Die roten Dominos
1932 Anno domini, op. 75 2 taferelen

Toneelmuziek

Vocale muziek

Cantates

  • Weihnachts-Kantilene, kerstcantate voor solisten, gemengd koor, strijkorkest en orgel, op. 45b - tekst: Matthias Claudius

Werken voor koor

  • 1905 Chorus Mysticus "Alles Vergängliche" aus Goethe's "Faust", voor 3 sopranen, alt, gemengd koor (dubbelkoor), groot orkest, 2 harpen en orgel, op. 4 - tekst: Johann Wolfgang von Goethe
  • Die Nonne - eine Ballade aus Schmachtenberg, voor mannenkoor

Liederen

  • 1912 Frühlingslieder, voor zangstem en piano, op. 41 - tekst: Elsa Asenijeff
    1. Einladung
    2. Die Blume an den Frühling
    3. Nachtbild
  • 1915 Nun segne großer Tod!, 3 oorlogsliederen voor zangstem en piano, op. 48 - tekst: Ferdinand Maria Weinhandl
  • 1918 Lieder für das deutsche Haus - 1. Folge, voor middenstem en piano, op. 45a
    1. Die Sternseherin Liese - tekst: Matthias Claudius
    2. Der Mond als Liebespostillon - tekst: Witold Leo
    3. In den Malkasten - tekst: Witold Leo
  • Keine Rose ohne Dornen - Liebesliedchen aus Kissingen, voor zangstem en piano - tekst: Franz Wilhelm von Ditfurth
  • Lieder, voor zangstem en piano, op. 95 - tekst: Rudolf Kundigraber
  • Träume am Fenster, liederencyclus voor hoge stem en piano (of orkest), op. 56 - tekst: Robert Graf
  • Vier Gedichte von Max von Millenkovich-Morold, voor hoge stem en piano, op. 98

Kamermuziek

Werken voor orgel

Werken voor piano

Publicaties

Bibliografie