| Rozerode wasplaat | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Rozerode wasplaat | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Porpolomopsis calyptriformis (Berk.) Bresinsky (2008) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Hygrocybe calyptriformis | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De rozerode wasplaat (Porpolomopsis calyptriformis) is een schimmel uit de familie Hygrophoraceae. Deze wasplaat is herkenbaar aan zijn roze tot lilaroze hoed, die aanvankelijk spits kegelvormig is en bij het uitgroeien vaak straalsgewijs openscheurt. De soort groeit voornamelijk in oude, extensief beheerde graslanden en behoort in Nederland tot de zeer zeldzame paddenstoelen.
De soort wordt beschouwd als een kenmerkende paddenstoel van wasplaatgraslanden. Vanwege de achteruitgang van dit leefgebied is hij wereldwijd opgenomen op de Rode Lijst van de IUCN in de categorie 'Kwetsbaar'.
De hoed heeft een diameter van doorgaans 2,5 tot 6 cm. Bij jonge vruchtlichamen is hij smal kegelvormig, met een opvallend spitse top. Tijdens het uitgroeien spreidt de hoed zich uit, waarbij de centrale spits meestal behouden blijft. De hoedrand scheurt vaak straalsgewijs in en kan naar boven omkrullen, waardoor oudere exemplaren een bloemachtig uiterlijk krijgen.
Het hoedoppervlak is bleekroze, rozerood tot lilaroze en kan bij veroudering verbleken. Het is glad tot fijn radiaalvezelig, droog en zijdeachtig, maar bij vochtig weer enigszins vettig of kleverig. Het hoedvlees is witachtig, met vlak onder de hoedhuid een roze tint. Zelden komen geheel of vrijwel witte exemplaren voor.
De lamellen zijn wasachtig, aanvankelijk roze tot lichtroze en verbleken bij het ouder worden. Ze zijn aan de steel aangehecht tot smal aangehecht. De lamellen zijn betrekkelijk dik en kunnen, net als de hoed, bij oudere vruchtlichamen inscheuren.
De steel is cilindrisch, slank en vaak betrekkelijk lang ten opzichte van de hoeddiameter. Hij is witachtig tot bleekroze en kan vooral nabij de top een roze zweem vertonen. Het oppervlak is glad, droog en soms fijn vezelig. De steel is kwetsbaar en kan in de lengterichting splijten. Een ring (annulus) ontbreekt.
Het vlees is dun en breekbaar, witachtig tot lichtroze. De geur en smaak zijn niet opvallend.
De sporen zijn breed ellipsoïdaal tot langwerpig ellipsoïdaal, gladwandig en niet-amyloïde. Ze meten ongeveer 6–9 × 4–7 µm. De sporenafdruk is wit.
De basidiën zijn overwegend viersporig en meten ongeveer 30–57 × 7–9 µm. De lamellentrama is regelmatig opgebouwd en bevat langgerekte hyfenelementen, die een lengte tot ongeveer 1000 µm kunnen bereiken en doorgaans 10–25 µm breed zijn.
De hoedhuid (pileipellis) heeft de structuur van een cutis en bestaat uit overwegend liggende hyfen. De hyfenelementen meten doorgaans ongeveer 30–90 × 10–20 µm.
De rozerode wasplaat groeit op de bodem in natuurlijke en halfnatuurlijke graslanden, vooral in oude, kortgrazige vegetaties met een lange geschiedenis van extensief beheer. Hij wordt onder meer aangetroffen in weilanden, hooilanden, schraalgraslanden en kort gemaaide gazons. Buiten Nederland komt hij ook voor op extensief begraasde bergweiden en in oude graslanden van kerkhoven.
De soort is vooral kenmerkend voor graslanden die weinig of niet worden bemest en waarin de bodem langdurig ongestoord is gebleven. Hij kan voorkomen op zowel zure als min of meer neutrale bodems.
De precieze voedingswijze is niet vastgesteld. In de Nederlandse standaardlijst wordt de soort traditioneel ingedeeld bij de terrestrische saprotrofen, die organisch materiaal in de bodem afbreken. Onderzoek naar de ecologie van wasplaten wijst er echter op dat verschillende soorten mogelijk biotroof leven en voedingsstoffen verkrijgen via associaties met levende planten of mossen. Ook voor de rozerode wasplaat wordt een dergelijke levenswijze mogelijk geacht, maar de aard van deze relaties is nog onvoldoende bekend.
De vruchtlichamen verschijnen voornamelijk in de nazomer en herfst, in West-Europa meestal van september tot november. Ze groeien afzonderlijk of in kleine, verspreide groepen.
De rozerode wasplaat is voornamelijk bekend uit Europa. Hij is uit verschillende Europese landen gemeld, maar is in een groot deel van zijn verspreidingsgebied zeldzaam en plaatselijk. Een belangrijk verspreidingsgebied ligt op de Britse Eilanden, met name in het westen van Groot-Brittannië. In Noord-Europa zijn onder meer vindplaatsen bekend in Denemarken en het zuiden van Noorwegen.
Er bestaan ook meldingen van gelijkende paddenstoelen uit Noord-Amerika. Moleculair onderzoek heeft echter aangetoond dat ten minste een deel van deze vondsten tot andere, nauw verwante soorten behoort. De verspreiding van P. calyptriformis buiten Europa is daarom onzeker.
In Nederland is de rozerode wasplaat zeer zeldzaam. Volgens de NDFF Verspreidingsatlas valt de soort, op basis van gevalideerde waarnemingen uit de periode 2004–2023, in de zeldzaamheidsklasse 'zeer zeldzaam'.
Een belangrijke Nederlandse vindplaats is het natuurgebied Rotstergaaster Wallen in Friesland, langs de Tjonger ten zuiden van Heerenveen. In 2013 werd dit gebied door Staatsbosbeheer en de Nederlandse Mycologische Vereniging aangewezen als het eerste Nederlandse wasplatenreservaat. Destijds werd het gebied beschouwd als de enige bekende Nederlandse vindplaats van de rozerode wasplaat.
Het gebied omvat oude, reliëfrijke graslanden die grotendeels gespaard zijn gebleven van intensieve landbouw en zware bemesting. Er werden bij de aanwijzing van het reservaat 25 soorten wasplaten vastgesteld, waaronder naast de rozerode wasplaat ook de zeldzame klaprooswasplaat. Het beheer bestaat onder meer uit extensieve beweiding en maaien met afvoer van het maaisel.
De rozerode wasplaat staat wereldwijd op de Rode Lijst van de IUCN in de categorie 'Kwetsbaar' (VU). Deze beoordeling is gebaseerd op de sterke achteruitgang van zijn leefgebied in Europa.
De belangrijkste bedreigingen zijn intensivering van de landbouw, bemesting, stikstofdepositie en het omzetten van oude graslanden in akkers of productiegrasland. Ook het beëindigen van traditioneel maaien of extensieve begrazing vormt een bedreiging, doordat de vegetatie dan kan verruigen en uiteindelijk in struweel of bos kan overgaan.
Volgens de IUCN-beoordeling wordt de afname van het geschikte leefgebied over een periode van vijftig jaar geschat op 30–50%. Bescherming van bestaande groeiplaatsen en voortzetting van extensief graslandbeheer worden daarom als belangrijke maatregelen beschouwd.
De soort werd in 1838 door de Britse mycoloog Miles Joseph Berkeley beschreven onder de naam Agaricus calyptriformis. In 1889 plaatste de Zwitserse mycoloog Victor Fayod hem in het geslacht Hygrocybe, waarna hij lange tijd bekendstond als Hygrocybe calyptriformis.
In 2008 bracht de Duitse mycoloog Andreas Bresinsky de soort onder in het nieuwe geslacht Porpolomopsis. De afsplitsing van Hygrocybe was onder meer gebaseerd op verschillen in pigmentatie, waaronder de afwezigheid van bepaalde DOPA-pigmenten. Latere moleculair-fylogenetische onderzoeken bevestigden de zelfstandige positie van dit geslacht binnen de Hygrophoraceae.
De soortaanduiding calyptriformis verwijst naar de vorm van de hoed en betekent 'kap- of sluierachtig'. De geslachtsnaam Porpolomopsis betekent 'gelijkend op Porpoloma'.
Tot de wetenschappelijke synoniemen behoren: