Commissum divinitus

Deel van de serie over
documenten van de
Heilige Stoel

Constituties, encyclieken,
exhortaties en instructies

Wapen van de Heilige Stoel
op gezag van
de Heilige Stoel
Constituties

Sacrosanctum Concilium
Gaudium et Spes
Lumen Gentium

Encyclieken

Pius IX
Leo XIII
Pius X
Benedictus XV
Pius XI
Pius XII
Johannes XXIII
Paulus VI
Johannes Paulus II
Benedictus XVI
Franciscus

Instructies

Inter Oecumenici
Liturgiam Authenticam
Redemptionis Sacramentum

Commissum divinitus is een encycliek van paus Gregorius XVI, gedateerd op 17 mei 1835 en gericht aan de katholieke geestelijkheid in Zwitserland. Het document ontstond naar aanleiding van de zogenoemde Badener Artikelen, een reeks kerkpolitieke voorstellen die in januari 1834 door afgevaardigden van verschillende Zwitserse kantons in Baden waren besproken. Gregorius veroordeelde daarin vooral de aanspraak van burgerlijke overheden om kerkelijke organisatie, discipline en sacramentele aangelegenheden te regelen.

De encycliek behandelt daarmee de verhouding tussen kerk en staat, maar is geen algemene theorie over de moderne scheiding van kerk en staat. Het document verdedigt in de eerste plaats de zelfstandige bevoegdheid van de Rooms-Katholieke Kerk op het gebied van leer, kerkbestuur, sacramenten en interne discipline. Tegelijkertijd stelt Gregorius dat katholieken de rechtmatige burgerlijke overheid en wetten die het welzijn van de burgerlijke samenleving betreffen behoren te gehoorzamen.

Historische achtergrond

In de jaren 1830 maakte Zwitserland de periode van de zogenoemde Regeneratie door. De opkomst van het politieke en filosofische liberalisme verscherpte in verschillende kantons discussies over de verhouding tussen staat en kerk. Daarbij kwamen onder meer het toezicht op kerkelijke instellingen, de inrichting van bisdommen, kloosters, geestelijk onderwijs en de verhouding met de Heilige Stoel ter discussie.

Op 30 december 1833 riep de liberale regering van het kanton Luzern een conferentie in Baden bijeen om de betrekkingen tussen kerk en staat te bespreken. Van 20 tot 27 januari 1834 namen afgevaardigden uit Bern, Luzern, Sankt Gallen, Solothurn, Basel-Landschaft, Aargau en Thurgau aan de bijeenkomst deel.

De conferentie stelde aanvankelijk voor het bisdom Bazel tot aartsbisdom te verheffen. Daarnaast werden veertien resoluties opgesteld die bekend werden als de Badener Artikelen. Zij voorzagen onder meer in een grotere zelfstandigheid van de bisschoppen tegenover Rome, staatscontrole op kerkelijke aangelegenheden, seminaries en religieuze orden, belastingheffing op kloosters, regelingen voor gemengde huwelijken en beperking van het aantal verplichte kerkelijke feestdagen.

De artikelen werden niet door alle betrokken kantons op dezelfde wijze aanvaard. Volgens het Dictionnaire historique de la Suisse werden zij aangenomen door de liberale kantons Luzern, Sankt Gallen, Thurgau, Aargau, Basel-Landschaft en Zürich; Solothurn verwierp ze en Bern stelde een beslissing uit. De kwestie maakte deel uit van een bredere tegenstelling tussen liberale en radicale stromingen, die de invloed van Rome wilden beperken, en katholiek-conservatieve krachten die de kerkelijke onafhankelijkheid en de banden met de Heilige Stoel verdedigden.

Publicatie en aanleiding

Gregorius XVI verwijst aan het begin van Commissum divinitus uitdrukkelijk naar de bijeenkomst die in januari van het voorafgaande jaar in Baden had plaatsgevonden en naar de vervolgens gepubliceerde besluiten. Hij stelt dat hij niet onmiddellijk formeel tegen de voorstellen was opgetreden, omdat hij aanvankelijk hoopte dat de burgerlijke regeringen ze niet ten uitvoer zouden brengen. Nadat een deel van de maatregelen volgens hem toch rechtskracht had gekregen, liet hij de artikelen nader onderzoeken en raadpleegde hij kardinalen alvorens ze formeel te veroordelen.

De encycliek verklaarde de omstreden artikelen onder meer strijdig met de rechten van de Heilige Stoel en met wat Gregorius als de goddelijke inrichting van de Kerk beschouwde. Vooral de onderwerping van kerkelijk bestuur en ambtsuitoefening aan de wereldlijke overheid werd afgewezen.

Inhoud

Kerkelijk gezag en staatsmacht

Een centraal uitgangspunt van Commissum divinitus is dat de inrichting en het gezag van de Kerk volgens Gregorius niet voortkomen uit burgerlijke wetgeving, maar uit haar goddelijke instelling. Christus zou aan de kerkelijke ambtsdragers zowel leergezag als bestuursmacht hebben toevertrouwd. Deze bevoegdheden konden volgens de encycliek daarom niet afhankelijk worden gemaakt van toestemming of toezicht door de burgerlijke overheid.

Vanuit dat uitgangspunt bekritiseerde Gregorius bepalingen waarbij wereldlijke instanties zeggenschap zouden krijgen over onder meer kerkelijke decreten en disciplinaire voorschriften, diocesane synoden, priesterseminaries, benoemingen van geestelijken en religieuze vorming. De kritiek is daarmee in belangrijke mate juridisch en ecclesiologisch: de encycliek bestrijdt vooral de bevoegdheid van de staat om interne kerkelijke besluitvorming te reguleren.

Schrift en kerkelijke traditie

Gregorius onderbouwt zijn positie niet alleen door een beroep op zijn eigen pauselijke gezag. De encycliek verwijst naar het Nieuwe Testament en naar voorbeelden uit de geschiedenis van de vroege Kerk. Zo beroept hij zich op Christus' woorden over het luisteren naar zijn gezanten en op de apostolische weigering om een menselijk bevel boven gehoorzaamheid aan God te stellen.

Daarnaast haalt hij uitspraken aan die worden toegeschreven aan Hosius van Córdoba en Basilius van Caesarea over de grenzen van keizerlijke inmenging in kerkelijke aangelegenheden. Ook verwijst hij naar Gelasius I en diens brief aan keizer Anastasius, waarin geestelijk en wereldlijk gezag als onderscheiden verantwoordelijkheden worden behandeld.

Voor de positie van de bisschop van Rome verwijst Gregorius onder meer naar Leo de Grote en Hiëronymus. Verder haalt hij de veroordeling Auctorem fidei van Pius VI uit 1794 aan als kerkelijk precedent.

Sacramenten en gemengde huwelijken

Een afzonderlijk onderdeel van de encycliek betreft de sacramenten en in het bijzonder het huwelijk. Gregorius stelt dat de beoordeling en bediening van sacramenten tot de bevoegdheid van de kerkelijke ambtsdragers behoort en dat de burgerlijke overheid daarvoor geen kerkelijke voorschriften kan vaststellen.

De Badener bepalingen over huwelijken tussen katholieken en niet-katholieken vormden daarom een belangrijk twistpunt. De encycliek keert zich tegen voorschriften die katholieke geestelijken zouden verplichten zulke huwelijken zonder de door de Kerk gestelde voorwaarden kerkelijk te begeleiden. Gregorius verbindt deze kwestie tevens met zijn bredere afwijzing van religieus indifferentisme, de opvatting dat verschillen tussen religieuze belijdenissen voor de godsdienstige waarheid niet beslissend zouden zijn.

Pauselijk primaat en kerkelijke eenheid

Een tweede hoofdthema is het pauselijk primaat. Gregorius betoogt dat de eenheid van de Kerk een zichtbaar hoofd vereist en verbindt deze functie met Petrus en diens opvolgers op de bisschopszetel van Rome. De pauselijke bevoegdheid wordt in de encycliek niet voorgesteld als een bevoegdheid die door burgerlijke staten is verleend, maar als onderdeel van de kerkelijke constitutie.

Vanuit dit uitgangspunt verzet Gregorius zich ook tegen overheidsingrijpen in kwesties als kerkelijke feest- en vastendagen, religieuze orden, de rechtsmacht van bisschoppen en de inrichting of begrenzing van bisdommen. In de Zwitserse context was dat laatste bijzonder relevant, omdat tijdens de conferentie van Baden tevens voorstellen voor een andere kerkelijke organisatie van het land waren gedaan.

Burgerlijk gezag en gehoorzaamheid

Hoewel de encycliek de autonomie van kerkelijk gezag sterk benadrukt, wijst zij burgerlijk gezag als zodanig niet af. Aan het slot schrijft Gregorius dat de gelovigen verplicht zijn de burgerlijke overheid te gehoorzamen en wetten na te leven die het welzijn van de burgerlijke samenleving betreffen. Hij stelt daarbij dat de vrede van de burgers en het welzijn van de Kerk niet noodzakelijk met elkaar in strijd zijn.

Deze passage nuanceert de polemiek tegen staatsbemoeienis. De encycliek betwist niet het bestaan of de legitimiteit van de wereldlijke overheid, maar trekt volgens haar eigen kerkelijke uitgangspunten grenzen rond de aangelegenheden waarover die overheid bevoegd kan beschikken.

Theologische en politiek-filosofische uitgangspunten

De argumentatie van Commissum divinitus is in de eerste plaats ecclesiologisch. De Kerk wordt voorgesteld als een door Christus ingestelde, hiërarchisch georganiseerde gemeenschap met een eigen leer- en bestuursbevoegdheid. De verhouding tussen kerk en staat wordt vanuit die visie behandeld als een vraag naar onderscheiden rechts- en gezagsgebieden, en niet als een pleidooi voor de moderne opvatting dat religie uitsluitend tot de privésfeer behoort.

Ook de wijze waarop Gregorius zijn stellingen onderbouwt is hoofdzakelijk theologisch en historisch. De bewijsvoering steunt op Schriftplaatsen, kerkvaders, vroegchristelijke voorbeelden en eerder pauselijk leergezag. Commissum divinitus is daarmee eerder een leerstellig en bestuurlijk ingrijpen in een concreet kerk-staatconflict dan een systematische filosofische verhandeling.

De nadruk op pauselijk gezag stond niet los van Gregorius' eerdere theologische belangstelling. Voor zijn pontificaat had Mauro Cappellari, de latere Gregorius XVI, in 1799 Il trionfo della Santa Sede gepubliceerd, een werk over de positie en het gezag van de Heilige Stoel. Historicus Christopher Korten merkt op dat dit werk in de historiografie herhaaldelijk als achtergrond voor Gregorius' latere pontificaat is gebruikt en onderzoekt tevens de ontwikkeling van Cappellari's theologische opvattingen.

In de Zwitserse context moet de encycliek eveneens worden gezien tegen de achtergrond van het politieke liberalisme van de Regeneratie. Het Dictionnaire historique de la Suisse plaatst de Badener Artikelen in de toenemende polarisatie rond de verhouding tussen staat en katholieke kerk en in de langere voorgeschiedenis van de Zwitserse Kulturkampf.

Nasleep en historische betekenis

De veroordeling door Gregorius maakte geen einde aan de Zwitserse kerkpolitieke conflicten. De Badener Artikelen riepen volgens historicus François Genoud sterke tegenstand op en droegen bij aan de confessionalisering van de politieke tegenstellingen. De artikelen traden uiteindelijk niet volledig in werking; ook druk van buitenlandse mogendheden speelde daarbij volgens Claude Altermatt een rol.

De conflicten tussen liberale, radicale en katholiek-conservatieve krachten verscherpten zich in de jaren 1840 verder, onder meer door de opheffing van kloosters in Aargau, de jezuïetenkwestie in Luzern en de vorming van de Sonderbund. De Badener Artikelen en Commissum divinitus vormden een eerdere fase van deze ontwikkeling; een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de encycliek en de oprichting van de Sonderbund in 1845 kan daaruit niet zonder meer worden afgeleid.

Owen Chadwick behandelt de Zwitserse conflicten binnen zijn geschiedenis van het pontificaat van Gregorius XVI en stelt dat de latere godsdienstige confrontatie die uitmondde in de Sonderbund de positie van het pausdom onder Zwitserse katholieken versterkte. De Zwitserse gebeurtenissen maken in zijn analyse deel uit van een breder negentiende-eeuws patroon waarin pauselijk gezag voor katholieke minderheden in confessioneel gemengde staten ook als bescherming tegen staatsingrijpen kon functioneren.

Literatuur

Zie ook

Zie de categorie Commissum divinitus van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.