| Deel van de serie over documenten van de |
| Heilige Stoel |
| op gezag van de Heilige Stoel |
| Constituties |
| Encyclieken |
|
Pius IX |
| Instructies |
|
Inter Oecumenici |
Inter praecipuas (naar de beginwoorden ook Inter praecipuas machinationes) is een encyclische brief van paus Gregorius XVI, gedateerd op 8 mei 1844. Het document is gericht aan de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen en bisschoppen van de Rooms-Katholieke Kerk en behandelt de activiteiten van protestantse bijbelgenootschappen, de verspreiding van volkstalige Bijbeluitgaven en de verhouding tussen de Schrift, de kerkelijke traditie en het leergezag.
Gregorius veroordeelde de bijbelgenootschappen als organisaties die volgens hem ongeautoriseerde vertalingen van de Schrift op grote schaal verspreidden en lezers aanmoedigden de Bijbel zonder kerkelijke begeleiding te interpreteren. De encycliek richtte zich in het bijzonder tegen de in de Verenigde Staten gevestigde Christian Alliance, die activiteiten op Italië en Italianen richtte. In de historiografie wordt het document tevens geplaatst binnen de bredere katholiek-protestantse conflicten over Bijbelgebruik en missionering in de negentiende eeuw.
In de eerste helft van de negentiende eeuw namen protestantse organisaties die zich toelegden op het drukken, vertalen en verspreiden van de Bijbel sterk in betekenis toe. De institutionalisering van bijbelgenootschappen maakte het mogelijk Bijbels in grote aantallen en in uiteenlopende talen te verspreiden. Rita Mendonça Leite beschrijft dit als een schaalvergroting in het streven om toegang tot de Schrift te universaleren, waarbij religieuze, missionaire en economische aspecten met elkaar verbonden waren. Protestantse uitgeef- en vertaalactiviteiten bereikten ook het overwegend katholieke Italië. Onderzoek van Alice Colombo laat zien dat de verspreiding van vertaalde protestantse lectuur in Italië reeds vóór de politieke omwentelingen van 1848 plaatsvond.
De encycliek ontstond tijdens het pontificaat van Gregorius XVI (1831–1846). Kerkhistoricus Owen Chadwick beschrijft zijn pontificaat als sterk gekant tegen wat Gregorius en zijn omgeving als religieuze en politieke vernieuwingen van de revolutionaire en liberale tijd beschouwden. Daarbij speelden onder meer godsdienstige tolerantie, politieke liberalisering, missionering en de positie van de Kerk in de Italiaanse staten een rol.
Tegen deze achtergrond waren bijbelgenootschappen voor de paus niet uitsluitend uitgeverijen. In Inter praecipuas presenteerde hij hun wijze van Bijbelverspreiding als onderdeel van een bredere protestantse missionaire strategie. Het document noemt daarbij eerdere maatregelen van pausen tegen dergelijke organisaties en plaatst zichzelf uitdrukkelijk in continuïteit met die maatregelen.
Aan het begin van de encycliek stelt Gregorius dat bijbelgenootschappen, volgens hem oorspronkelijk in Engeland ontstaan en vervolgens wijd verspreid, Bijbels in volkstalen in grote oplagen uitgaven en zonder onderscheid onder christenen en niet-christenen verspreidden. Hij keerde zich vooral tegen het beginsel dat iedere lezer de tekst zonder kerkelijke begeleiding zelfstandig zou kunnen uitleggen.
Ter ondersteuning daarvan verwijst de encycliek naar Hiëronymus, in het bijzonder diens brief aan Paulinus, en naar 2 Petrus 3:16–17. In die Bijbelpassage wordt gewaarschuwd dat bepaalde passages in de brieven van Paulus moeilijk te begrijpen zijn en door onkundige of onstandvastige lezers kunnen worden verdraaid. Daarnaast citeert Gregorius Tertullianus, De praescriptione haereticorum, hoofdstukken 37–38, bij zijn bespreking van Schriftinterpretatie, traditie en ketterij.
Gregorius legde ook nadruk op de moeilijkheid van vertalen. Volgens de encycliek konden fouten of doctrinaire vertekeningen in een groot aantal ongecontroleerde vertalingen gemakkelijk onopgemerkt blijven. Het voornaamste bezwaar was daarbij niet alleen de kwaliteit van afzonderlijke vertalingen, maar ook het beginsel van zelfstandige interpretatie: de paus stelde dat dit lezers ertoe kon brengen de door de Kerk overgeleverde traditie en het kerkelijke leergezag terzijde te schuiven.
Hoewel de encycliek scherp is over de verspreiding van Bijbels door protestantse genootschappen, beschrijft zij geen absoluut verbod op iedere Bijbel in de volkstaal. Gregorius bespreekt oudere kerkelijke voorschriften en verwijst onder meer naar regels die na het Concilie van Trente aan de Index librorum prohibitorum waren toegevoegd. Vervolgens haalt hij een latere regeling onder Benedictus XIV aan, volgens welke volkstalige versies gelezen konden worden wanneer zij door de Apostolische Stoel waren goedgekeurd of voorzien waren van aantekeningen ontleend aan de kerkvaders of geleerde katholieke auteurs.
De historische ontwikkeling van katholieke Bijbelvertalingen was daarmee complexer dan een tegenstelling tussen enerzijds protestantse vertalingen en anderzijds een volledig katholiek verbod op vertaling. Wim François wijst erop dat vóór de twintigste eeuw verschillende katholieke volkstalige Bijbels verschenen. Kenmerkend voor veel van deze katholieke uitgaven was het gebruik van de Vulgaat als brontekst, mede als gevolg van de confessionele context na het Concilie van Trente.
In Inter praecipuas zelf ligt het onderscheid daarom vooral tussen Schriftgebruik dat binnen de door de katholieke hiërarchie erkende regels plaatsvond en Bijbelverspreiding en -interpretatie die zich aan dat toezicht onttrokken.
Gregorius presenteerde zijn optreden als voortzetting van eerder beleid. De encycliek noemt onder andere de pauselijke bul Unigenitus van Clemens XI uit 1713 en Auctorem fidei van Pius VI uit 1794 in verband met eerdere conflicten over Schriftlezing en jansenisme. Ook verwijst hij naar maatregelen van Pius VII, naar een encyclische brief van Leo XII uit 1824 en naar een encycliek van Pius VIII uit 1829. Ten slotte noemt hij een maatregel uit 1836 tijdens zijn eigen pontificaat waarin regels voor Schriftvertalingen opnieuw onder de aandacht waren gebracht.
Met dit historische overzicht trachtte de encycliek de veroordeling van de bijbelgenootschappen voor te stellen als toepassing van een reeds bestaande kerkelijke discipline en niet als een volledig nieuwe maatregel.
Een aanzienlijk deel van het document is gericht tegen een organisatie die Gregorius Alleanza Cristiana noemt, de Christian Alliance. Volgens de encycliek was zij in New York georganiseerd en wilde zij haar activiteiten in het bijzonder op Rome en Italië richten. Gregorius schreef dat de organisatie volkstalige Bijbels en andere protestantse geschriften onder Italianen wilde verspreiden.
Een archiefbeschrijving van de latere American and Foreign Christian Union bij NYU Special Collections beschrijft de Christian Alliance als een organisatie uit de periode 1842–1849 die zich richtte op de bekering van Italiaanse katholieken, zowel in Italië als daarbuiten. Zij maakte daarbij gebruik van onder anderen missionarissen, colporteurs, Bijbellezers en onderwijzers.
Gregorius veroordeelde in de encycliek zowel de bijbelgenootschappen in algemene zin als de Christian Alliance met name. Hij droeg de bisschoppen op katholieken voor deelname aan dergelijke verenigingen te waarschuwen en de bestaande voorschriften betreffende het vervaardigen, verspreiden, lezen en bewaren van volkstalige Bijbeluitgaven te handhaven.
De voornaamste theologische tegenstelling in de encycliek betreft de vraag binnen welk gezagskader de Schrift moet worden gelezen. Gregorius verwerpt het idee dat de betekenis van de Bijbel uitsluitend door het individuele oordeel van de lezer kan worden vastgesteld. In zijn redenering vormen de geschreven Schrift, de in de Kerk overgeleverde traditie en het kerkelijke leergezag geen van elkaar onafhankelijke bronnen.
Daarmee heeft de tekst een uitgesproken ecclesiologisch karakter. De bisschoppen worden voorgesteld als verantwoordelijken voor het onderricht in en de bewaking van de uitleg van de Schrift. Gregorius beroept zich daarbij niet alleen op pauselijke besluiten, maar ook op concilies en op patristische auteurs. Hij benadrukt bovendien dat katholiek Schriftgebruik volgens hem niet neerkwam op het buiten bereik houden van de Bijbel, en verwijst naar kerkelijke instellingen voor prediking en openbaar Schriftuitleg.
De argumentatie bevat tevens een kennistheoretisch element. Gregorius gaat uit van de mogelijkheid dat zowel vertalers als lezers fouten maken en dat moeilijke Schriftteksten deskundige uitleg vereisen. Het beroep op 2 Petrus 3:16–17 dient in de encycliek als Bijbelse rechtvaardiging voor deze terughoudendheid tegenover volledig ongecontroleerde interpretatie.
Vanuit dit uitgangspunt is de vrijheid van de individuele lezer in de encycliek niet het hoogste criterium bij de uitleg van de Schrift. De betrouwbaarheid van interpretatie wordt er gekoppeld aan overgeleverde kerkelijke leer, bevoegde uitleg en institutioneel gezag. De tekst moet daarmee worden gelezen binnen een negentiende-eeuws conflict waarin katholieke en protestantse opvattingen over Schriftgezag en missionering tegenover elkaar stonden.
De encycliek verbindt de controverse over Bijbelverspreiding ook met politieke denkbeelden. Gregorius schrijft dat de door hem bestreden organisaties godsdienstvrijheid en gewetensvrijheid propageerden en verbindt deze begrippen polemisch met religieus indifferentisme. Hij stelt bovendien dat de bevordering van een individueel recht op Schriftinterpretatie volgens de Christian Alliance uiteindelijk ook politieke vrijheid in Italië zou bevorderen.
Deze passages passen in de bredere houding van Gregorius XVI tegenover het politieke liberalisme en de revolutionaire erfenis van de late achttiende en vroege negentiende eeuw, zoals die door Chadwick wordt beschreven. De encycliek behandelt Schriftinterpretatie daardoor niet uitsluitend als een intern-theologische kwestie, maar brengt haar tevens in verband met kerkelijk gezag, sociale orde en politieke verandering.
Historicus Mark Noll plaatst Inter praecipuas in de bredere Amerikaanse conflicten rond Bijbelgebruik in 1844. In hetzelfde jaar speelden in de Verenigde Staten hevige katholiek-protestantse spanningen, waaronder het geweld in Philadelphia dat bekendstaat als de Philadelphia Bible Riots. Noll noemt de verklaring van Gregorius tegen het type bijbelgenootschap dat in de Verenigde Staten actief was als een factor die de confessionele spanning van dat jaar verder illustreert. De nabijheid in tijd betekent daarbij niet dat de encycliek een reactie op het geweld in Philadelphia was: zij werd op 8 mei 1844 gedateerd en de primaire tekst zelf presenteert de Christian Alliance en haar activiteiten als directe aanleiding voor de nieuwe pauselijke waarschuwing.
Ook binnen negentiende-eeuwse protestantse missionaire kringen werd de pauselijke veroordeling aangehaald. Robert Paul Seesengood beschrijft hoe protestantse Bijbelgenootschappen een belangrijke rol speelden in de negentiende-eeuwse missionaire expansie en vermeldt dat sommige Amerikaanse protestanten de encycliek interpreteerden als bevestiging van hun kritiek op het katholieke Schriftgebruik. Deze reactie weerspiegelde de confessionele tegenstelling van de periode en hoeft niet te worden beschouwd als een neutrale beschrijving van de katholieke leer.
Historisch gezien vormt Inter praecipuas daarmee een document op het snijpunt van verschillende negentiende-eeuwse ontwikkelingen: de massale productie en transnationale verspreiding van religieuze drukwerken, protestantse missionering, katholieke regulering van Bijbelvertalingen en -interpretatie, en het conflict van het pausdom met bepaalde vormen van religieus en politiek liberalisme.