Dollard

Dollard
Dollart
Dollard (Nederland)
Dollard
Dollard
Locatie Tussen Vlag van Nederland Groningen en
Vlag van Duitsland Oost-Friesland
Zee Waddenzee
Coördinaten 53° 17′ NB, 7° 9′ OL
Oppervlakte 100 km²
Max. breedte 9 km
Plaatsen Emden, Fiemel
Foto's
Satellietbeeld
Satellietbeeld
Portaal  Portaalicoon   Geografie

De Dollard (Duits: Dollart, Gronings: Dollert of Dullert, bijnaam Ol Tjoard, Oostfries: Dullert, uitgesproken als Doelert) is een brakke zeeboezem in het verbrede deel van het Eems-Dollard estuarium, op de grens van Nederland en Duitsland. De Dollard is van noord naar zuid ongeveer negen kilometer breed en heeft een oppervlakte van ongeveer 100 km². Het gebied omvat 1.160 hectare kwelders en 7.700 hectare bij laag water droogvallende slikken, platen en wadden. Van de Dollardboezem ligt – althans volgens Nederlandse grensaanduidingen – ongeveer 70% in Nederland.

Ook een deel van de rivier Eems – namelijk het Emder vaarwater en de monding van de Beneden Eems – wordt vanouds tot de Dollard gerekend. De Duitse stad Emden direct ten noorden van de Dollard en wordt doorgaans betiteld als de Hafenstadt am Dollart. De Eems, in het Duits Ems, stroomt door Duits grondgebied en mondt uit in de noordoostelijke hoek van de Dollard. Het water vervolgt daarna zijn loop via de Eemsmonding naar de Waddenzee.

In de Dollard is sprake van een getijdenverschil van meer dan drie meter. Het water is brak doordat het zeewater zich hier mengt met het water uit de Eems en de Westerwoldsche Aa. Het zoutgehalte varieert van 22 promille in het centrale deel tot 5 promille bij de monding van de Westerwoldsche Aa. Soortgelijke waarden worden gemeten in het Emder vaarwater en de Beneden Eems.

De Dollard is ontstaan aan het einde van de middeleeuwen. Daarbij zijn ongeveer twintig dorpen verdronken. Twee derde van het ondergelopen gebied is sinds de 16e eeuw weer terug gewonnen. Rondom de Dollard zijn de Dollardpolders te vinden; in Duitsland spreekt men over de Dollartmarsch. De vruchtbare bodem in deze polders wordt als Dollardklei betiteld; de vette modder heet Dollardslib.

Het grootste deel van de Dollard is vanaf 1980 omgevormd tot natuurgebied en behoort sinds 2009 tot het Werelderfgoed Waddenzee. Grote projecten als aanleg van een Dollardkanaal en de bouw van de Dollardhaven werden afgelast. De hydrografie van het Eems-Dollardgebied is sterk veranderd door de uitdieping van de Beneden Eems en de aanleg van de Geisedam. Hierdoor is sinds de jaren 90 een slibproblematiek ontstaan, die de economische en natuurlijke waarden van het gebied ernstig bedreigt.

Geografie

Op de grens van Nederland en Duitsland bevindt zich de monding van de Westerwoldse Aa, die hier via het sluizencomplex Nieuwe Statenzijl uitmondt in de Buiten A oftewel het Schanskerdiep. Die staat weer in verbinding met de belangrijkste vaargeul van de Dollard, het Groote Gat. De andere hoofdgeul is het Kerkeriet. Beide geulen stromen uit in de Monding van de Dollard. Kleinere wadgeulen zijn Oude Geut, Dwarsgat, Bunderriet en Piksak.

In de Dollard liggen de zandplaten Heringsplaat, Reiderplaat, Hoogeplaat, Oostfriesche Plaat, Maanplaat, Hoogzand en Geise. Zuidelijker bevindt zich het slikkengebied De Laagte. In oudere publicaties worden ook Noordwal, Bolplaat, Koelderplaat, Leegtjerplaat, Uikerplaat, Diepeplaat en Moeplaat genoemd.

Op oude kaarten en in andere bronnen staan onder andere aangegeven Binder Aesterrijte, Noorderriet, Groote Riet, Veenriet (Veengeul), Dikke Riet,, Munnikeveensterriet, Visschersriet, Bekriet, Ganzeriet, Rille, (Oude) Beertstermude, Bellingwoldermude, Meentegat, Overloop, Stoeteriet, Balge, Leegtjergat, Uker- of Uikergat, Koert Oomsriet, Heringsgat, Blainriet, Sparregat, Schulpdalle, Oostergat, Aalriet (foutief: Aariet) of Oostfriesche gat, Zurentjeriet, Kleine Piksak, Piksak(-riet) en Veenriet. Het Schanskerdiep heette ook Zuidoost Rak.

Over de oorsprong van deze platen en geulen is weinig te zeggen. De morfologie van de Dollardboezem is uiterst dynamisch. Soms doorsnijdt een wadgeul een oude veenbank, waardoor de veenkluiten zich over de slikken verspreiden. Met bagger- en graafwerk en door de bouw van rijsdammen heeft men bovendien geprobeerd de loop van enkele vaargeulen te veranderen. Zo liep het eerste deel van de Buiten Aa (het Zuidoost Rak) in de 18e eeuw verder zuidelijk. De Beertstermude mondde rond 1800 bij de Punt van Reide uit, maar liep mogelijk eerder naar het noordoosten. Omdat de Oude Beertstermude begon te verzanden, wilde men in 1836 een nieuwe uitwatering naar het noorden tot in het Uikergat graven. Dat was kennelijk moeilijk. In plaats daarvan werd de zogenaamde Overloop uitgediept, waardoor de Beertstermude voortaan in de Buiten Aa uitmondde. Bij de aanleg van de Reiderwolderpolder in 1862 werd het plan uit 1836 alsnog gerealiseerd door de aanleg van een nieuw afwateringskanaal richting Leegtjergat.

Het Reiderzand is sinds de 19e eeuw grotendeels verdwenen; de Heringsplaat (eerder ook wel Heringsnetplaat genoemd) is naar het noorden verschoven. De vlakten midden op de zandplaten, waar de prielen ontsprongen, werden wel blainen ('blaren') genoemd.

Het eigenlijke Dollardgebied werd vanaf 1870 van de Beneden Eems gescheiden door aanleg van de Geisedam over de zandplaten Geise [de] en de Geisesteert.

Bij laagwater valt ongeveer 78% van de Dollard droog als wad. Tussen dit wad en de zeedijk bevindt zich een strook kwelderland, met een totale omvang van bijna 1.100 ha, waarvan 780 ha in Nederland en 300 ha in Duitsland. Aan Duitse zijde worden deze kwelders nog gebruikt door aangrenzende boerenbedrijven voor beweiding en hooiwinning. Aan Nederlandse kant is dat het geval in een gedeelte van 185 ha, dat eigendom is van de Maatschappij tot Exploitatie van het Onverdeelde Munnikeveen B.V. Het agrarische gebruik is onderworpen aan de natuurbeschermingsregels.

Geschiedenis

De naam Dollard

De naam Dullard komt voor het eerst omstreeks 1494 voor in de kroniek van de abdij van Aduard. Ook de Groningse rector Wilhelmus Frederici noemt De Dullert in 1498/99. De naam is vermoedelijk afgeleid van 'groot gat in de grond, poel', 'kuil' Maar al snel verklaarde men dit uit de 'dolle aard' van de zeeboezem, vanwege 'het gewoel en de heftigheid van de golven en de woedende stormen op die plek' (aldus het Groningse stadsbestuur in 1544), of – zoals Ubbo Emmius het rond 1600 samenvatte – "vanwege de razernij van zijn golven" (a fluctuum rabie).

De naam Dullaert of Dollaert werd sinds de vijftiende eeuw ook gebruikt voor de Braakman in Zeeuws-Vlaanderen, waar volgens sagen in 1377 zeventien dorpen waren verdronken. Hij was vermoedelijk afgeleid van een oudere persoonsnaam, die 'domkop, dwaas, dolkop' betekende.

De naam Ol Tjoard duikt voor het eerst op in het werk van de volkskundige Tjaard W.R. de Haan, die het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog in Wagenborgen doorbracht. "Genadeloos kan hij tekeergaan, vandaar de duistere dreiging in zijn taboe-achtige bijnaam!", schrijft deze auteur in 1950. Het gaat mogelijk om een practical joke die op De Haans eigen voornaam is gebaseerd.

Dollard in de getijdenzone van de Eems

Ontstaan van de Dollard

De Dollard is in de late middeleeuwen ontstaan ten gevolge van meerdere overstromingen en stormvloeden, die het oorspronkelijke veenlandschap grotendeels hebben opgeruimd. Daarbij gingen grote delen van de oude districten Reiderland en Oldambt verloren.

Vroeger meende men – in het voetspoor van Ubbo Emmius – dat de Dollard in het jaar 1277 was ondergelopen. Er werd gedacht aan de Marcellusvloed van het jaar 1362, die in Noord-Duitsland tot veel schade heeft geleid. In historische bronnen is daarover met betrekking tot de Dollard niets te vinden. Daarom wordt tegenwoordig vermoed dat de gebeurtenissen rondom het jaar 1413 hebben geleid tot het ontstaan van de Dollard.Nadat de lage dijken en sluizen tijdens een vetestrijd waren doorgebruiken, slaagde men er niet in deze weer te repareren.

Waarschijnlijk had het gebied al eeuwenlang te maken met wateroverlast, doordat het veenoppervlak te lijden had de van erosie, verwering en bodemdaling (klink). Archeologische vondsten laten echter zien dat bij Bad Nieuweschans, Vriescheloo en Scheemda nog in de vijftiende eeuw een zoetwatermilieu te vinden was. Daarentegen kenmerkte de omgeving van Pogum zich al in de dertiende eeuw door een zoutminnende vegetatie.

Het gebied werd doorsneden door twee rivieren: de Reider Ae en de Munter Ae, die via afzonderlijke sluizencomplexen in de Eems uitmondden. De Groningse kroniekschrijver Johan van Lemego verhaalt dat de sluizen van Reide tijdens een burgeroorlog werden vernield. De tekst suggereert dat dit in 1413 gebeurde, maar uit andere gegevens blijkt dat deze gebeurtenissen zich iets eerder moeten hebben afgespeeld. In de overlevering wordt de naam van de hoofdeling Tidde Wyneda als verantwoordelijke bestuurder genoemd. Mogelijk was de Ceciliavloed van 21 november 1412 voor de Dollarddijken fataal. Zes jaar later zou de zee al het dorp Blijham hebben bereikt. Er ontstond een brakke binnenzee, die zich tweemaal daags vulde en weer leegliep. Het water baande zich met geweld een weg door het resterende veen, dat in zijn geheel –werd opgetild en soms ook wegspoelde naar zee.

De oostelijke Dollardboezem vormde zich in de eerste helft van de vijftiende eeuw. Al in 1454 bouwden de inwoners van het gebied een nooddijk van de Punt van Reide tot aan Finsterwolde. Deze dijk liep van de vaste Eemsoever met een grote boog door het toenmalige laagveengebied naar de hogere zandgronden; hij brak al omstreeks 1466 door, maar de restanten schijnen nog in de 16e eeuw zichtbaar te zijn geweest. De dorpen in dit gebied waren inmiddels verlaten. De westelijke Dollardboezem is vermoedelijk in de jaren na 1470 ontstaan. Hier werden de dorpen verplaatst naar hogere gronden.

Grote delen van het gebied kregen pas met de zee te maken nadat de Cosmas- en Damianusvloed (1509) het zeewater diep landinwaarts had gestuwd. Volgens Ubbo Emmius kregen ook de laaggelegen veengronden bij Midwolda pas toen te maken met het zeewater. Bij deze stormvloed braken ook de zeedijken langs de Beneden Eems, zodat het rivierwater zich door het schiereiland van Nesserland direct naar zee baande via de zogenaamde Frische Ems. Ook hier gingen enkele dorpen op de oude Eemsoever verloren. Latere pogingen van het Emder stadsbestuur om de rivier middels een damwand in zijn oude bed terug te dwingen, werden uiteindelijk opgegeven. De zeearm bereikte zijn grootste oppervlakte rond 1520.

Reconstructie van het verdronken gebied wordt bemoeilijkt door een gebrek aan bronnen. De geïllustreerde kaart die Jacob van der Mersch in 1574 voor het raadhuis van Emden maakte, berust grotendeels op fantasie; hij werd vooral geïnspireerd door Vlaamse voorbeelden. Dat gold vermoedelijk ook voor een oudere kaart uit 1546 in het raadhuis van Groningen, die later verloren is gegaan. Een lijst van 33 verdronken dorpen uit dezelfde tijd is evenmin betrouwbaar; het getal 33 heeft vooral een symbolische betekenis. De Oost-Friese kroniekschrijver Eggerik Beninga had het over 24 verdronken dorpen, wat vermoedelijk dichter bij de waarheid kwam. De belangrijkste bron is een lijst van parochies in het Bisdom Münster van omstreeks 1480. Bij de parochies die vanwege het water verlaten waren, is echter niet altijd duidelijk of ze in het Reiderland of in het Oldambt lagen. De parochies in dat deel van het Reiderland dat tot het Bisdom Osnabrück behoorde, worden uiteraard niet vermeld. Ten slotte zijn er nog twee documenten uit 1391 (in een zestiende-eeuws afschrift) en 1420 bewaard gebleven, die de grensloop van het grensriviertje de Tjamme beschrijven. Omdat het riviertje echter niet over zijn hele lengte samenviel met de grens tussen de beide bisdommen en de landschappen Oldambt en Reiderland, is ook hier verwarring mogelijk. Een handvol dorpen, waaronder Reide en Reiderwolde, wordt vermeld in de goederenregisters van de Rijksabdij Werden uit de negende, tiende en elfde eeuw.

Kaart van de verdronken Dollarddorpen door Ubbo Emmius (1630) op basis van het werk van Jacob van der Meersch uit 1574

Verdronken Dollarddorpen

Door het ontstaan van de Dollard en de doorbraken langs de Eems zijn minstens twintig kerspelen, tien tot vijftien kleinere buurtschappen en drie kloosters verloren gegaan. Een stuk of twaalf dorpskerken werden een of meer malen verplaatst. De overgeleverde namen van de nederzettingen zijn echter vaak verbasterd.

Verdronken zijn de kerkdorpen Kalentwalt of Peterswolde (Culemwoldt Ecclesia sancti Petri = Coldeborgerfehn?), Haxenewalt of Soxumerwold (Hatzumerfehn?), Ditzumerwold, Uterpogum, Utbeerte, het marktplaatsje Torum, Wilgum, Fletum, Berum, Oosterreide, Westerreide, Up-Reiderwolde en Ut-Reiderwolde (met een kapittelkerk), Zentorp, Stockdorp, Tijsweer, Zwaag, Ooster-Finsterwolde, Ulsda, Megenham, Wynedaham, Houwingahof of Houwingagast, Houwingaham en misschien de vrijwel onherkenbaar verbasterde dorpsnamen Haxne of Soxum, Siweteswere, Poel, Rodendebord en Katelmesincke. Verder de buurtschappen Dunelee (Duinkerken bij Marienchor?), Garmede of Medum, Wynham, Jarde (Bundergaarde), Bonewerda (Boen bij Bunde?), Ockeweer, Astock, Torpsen, De Lidden, Gaddingehorn, Fiemel en misschien Ayckaweren, Stocksterhorn, Exterhuis, Jansum en Homborg.

Ten slotte de kloosters Palmar (Porta Sanctae Mariae), Oosterreide en Menterwolde (Campus Sylvae) met de kapel De Olde Stoeve. Of de dorpen Beda, Kapeldaberto, Oosterbeerte, Ludgerskerke, Meerhusen, Marckhusen, Hakkelsum, Harmeswolde en Harkenborg werkelijk hebben bestaan, mag worden bewijfeld, omdat de namen van deze dorpen niet in schriftelijke bronnen uit die tijd te vinden zijn. Bij de eerste drie gaat het wellicht om Beerta en Ulsda, Ludgerskerke verwijst mogelijk naar Holtgaste of Westeel, bij de laatste drie gaat het eerder om verbasterde toponiemen die uit oudere lijsten zijn overgenomen.

De kerkdorpen Nesse, Kirchborgum (Huweghenborch), Bingum (Oengum) en het kloostervoorwerk Goldhoorn (bij Finsterwolde) worden ten onrechte tot de verdronken dorpen gerekend. Andere voormalige veendorpen zijn mogelijk al ver vóór de Dollardinbraak verlaten; hun namen duiken pas achteraf in de lijsten van verdronken dorpen op.

Een stuk of twintig nederzettingen verhuisde vanwege de overstromingen naar hogere gronden: Marienchor (Krytzemewalt), Böhmerwold (oorspronkelijk wellicht *Bentumerwolde, met een moederdorp in de omgeving van Bentumersiel), Sankt Georgiwold (Upwolde), Weenermoor, Wymeer, Hamdijk (Houwingaham oftewel Utham), Den Ham (Upham oftewel Nyeham), Bellingwolde, Vriescheloo, Blijham, Winschoten-Sint-Vitusholt en Bovenburen, Beerta, Finsterwolde, Oostwold, Midwolda (Ol Kerke), Scheemda (Ol Kerkhof), Meeden, Muntendam en misschien ook de voorlopers van Boen (Bonewerda) en Bunderhee. De kerkdorpen Noordbroek en Zuidbroek en mogelijk ook Holtgaste (Widufliatun?) en het klooster Dünebroek werden al eerder verplaatst.

De enige kerkdorpen rond de Dollard die nog op hun oorspronkelijke plek liggen zijn Bunde (Bunwyda), Eexta, Wagenborgen, Westerlee en Winschoten (Winsewida?), allen gelokaliseerd op een hoge zandkop of garst.

Jarde, Lietsland, Tornum, Utbeerte en een paar hoge kwelders bij de Punt van Reide (Addenheem, Bousick, De Lidden, Esch, Gare) waren in de zestiende eeuw nog als eilanden voorhanden; Uterpogum (De Blinken), Garmede, Ludeblencke, Munnikeveen en Nesserland nog in de 17e of het begin van de 18e eeuw.

Dollardpolders

Terugwinning van land
Zie Dollardpolders voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Tot 1509 maakte de Eems ter hoogte van de huidige Dollard een grote bocht noordwaarts. Aan de noordelijkste punt werd de stad Emden aangelegd. Ten gevolge van de uitbreiding werd het schiereiland Nesserland dat tegenover de stad lag, afgesneden en volgde het stroombed een natuurlijke oost-westroute, op geruime afstand ten zuiden van Emden. De oude noordelijke rivierarm slibde dicht, waardoor de haven steeds minder toegankelijk werd. Door middel van een ongeveer 4,5 km lange damwand van eikenhouten heipalen, het Nesserlander Hoofd, probeerde het stadsbestuur van Emden vanaf 1581 deze nieuwe stroomgeul te blokkeren. Deze pogingen werden in 1631 gestaakt. Nesserland werd samen met de rest van het havengebied ten zuiden van Emden en de bocht van Wybelsum in de 19e eeuw en vroege 20e ingepolderd, waarbij het land werd opgehoogd met baggerslib.

Zolang het schiereiland Nesserland met het vasteland in verbinding stond, werd het vloedwater, soms aangejaagd door de stormwinden, hoog opgestuwd in de Dollardboezem. De zee kwam tot Wedderveer, Muntendam en Siddeburen. Na de doorbraak van 1509 kon het water gemakkelijker stroomopwaarts via de Eems wegstromen zodat de druk op de Dollard afnam. Er begon een verlandingsproces dat er al snel toe leidde dat grote stukken kwelder al vóór het midden van de zestiende eeuw konden worden bedijkt. De zware, maar vruchtbare Dollardklei maakte het Oldambt tot een van de bloeiendste landbouwgebieden van Nederland.

Na talrijke inpolderingen vanaf de zestiende eeuw is Dollard tot een derde van zijn oorspronkelijke oppervlakte geslonken. De laatste inpolderingen aan Duitse zijde zijn de Kanalpolder uit 1877 en de polders rond Emden (1874-1923). Aan Nederlandse zijde volgden in de 19e eeuw nog de Finsterwolderpolder (1819), de Reiderwolderpolder (1862/1874), de Johannes Kerkhovenpolder (1878), de Carel Coenraadpolder (1924) en de polder Breebaart (1979). De meer recente polders hebben een eigen karakter en worden wel de Dollardpolders genoemd. De aanleg van een buitendijks kanaal, het Dollardkanaal, werd na felle protesten van natuurbeschermingsorganisaties in 1974 stilgelegd.

Aan Nederlandse zijde werd de kwelderaanwas zeker al vanaf 1740 gestimuleerd door het aanleggen van greppels of zwetsloten en gronddammen. In 1846 eeuw waren er plannen om bijna 5.000 hectare droog te leggen. Het project begon met aanleg van een rijsdam, vanaf Dallingeweer, dwars over de Reiderplaat naar het Noorderriet. Dit gebeurd in opdracht van een groep Amsterdamse investeerders, verenigd in de Maatschappij tot Inpoldering van de Dollard. Deze firma had in 1845 2.000 ha buitendijkse kwelders en slikken (de zogenaamde Binnen-Ae landen bij Woldendorp) van de rijksdomeinen gekocht, met de bedoeling de helft daarvan in te dijken. Aansluitend daaraan ontwierpen de eigenaren van de slikken ten oosten daarvan een soortgelijk plan. De stad Groningen bezat daar het grootste deel van de aanwas en liet een uitvoerig rapport maken door de opzichter van de stadskwelders, de herenboer en latere burgemeester Roelof J. Roelofs uit Finsterwolde. De plannen waren omstreden omdat de slikken nog niet hoog genoeg waren opgeslibt. De belangrijkste financier ging bovendien failliet, waarna er voor de kwelders bij Woldendorp uiteindelijk één eigenaar – de bankier Johannes Kerkhoven – overbleef. Roelofs bleef echter aandringen op nieuwe initiatieven. Uiteindelijk zouden verder oostelijk de Reiderwolderpolder (1862/74) en de Carel Coenraadpolder (1924) worden gerealiseerd. De Johannes Kerkhovenpolder (1878) is de enige Dollardpolder waar men het heeft gewaagd een dijk dwars over de rauwe slikken en niet op de kwelderrand aan te leggen. Er werd in totaal zo'n 2.650 ha bedijkt, aanmerkelijk minder dan de bedoeling was.

Westelijke DollardboezemJaarOostelijke DollardboezemJaarDuitslandJaar
Veendijk en Zomerdijk1469Dijk van Westerreide naar Finsterwolde1454Dyksterhusen [de]ca. 1450–1500
Wagenborgen (Weerland)ca.1520Finsterwolde (Modderlanden, Veenhuizen)ca. 1525Wymeer en Boenca. 1525
Zuidbroek (Zuidbroeksterhamrik, Zuidbroekbuiten), Muntendam (Tussenklappen)1527Den Ham (Bovenlanden)ca. 1525
Meeden (Wester- en Oosterlanden)?Hamdijk (Binnenlanden)ca. 1525–1550Bunde (Swallich- of Swelch), Bunderhee [de] (Sanddiek)ca. 1525–1550
Noordbroeksterhamrik, Noordbroek, Zuidbroek (Uiterburenbuiten)?Beertsterhamrik (Binnenlanden)ca. 1525–1550
Scheemder-, Midwolder-, Oostwolder- en Wagenborgerhamrik (zomerdijk, winterdijk 1573/74)1542Blijham (Oude dijk)1544
Meeden (Buitenland of Noorderlanden), Westerlee (Lagemeeden), Eexterhamrik, Scheemda?Bunderhammrich [de] (Reiderhammrich)ca. 1550
Midwolda (Kerkelaan) en Oostwold1558Blijham (Binnenlanden), Bellingwolde (Nieuwe Landen)1562
Scheemderhamrik1574Finsterwolderhamrik1571
Scheemderzwaag1596Tusschendijken (Blijham)ca. 1579
Oudland (Scheemder Ackertallen)1626Buitenlanden (Beerta)1606 (?)Bunderneuland [de]1605
(Oudeschansker) Uiterdijken 1631
Oud-Nieuwland (eerste Midwolderpolder)1665Uiterdijken (NIeuw-Beerta)1657
Linteloopolder1682Charlottenpolder [de]1682
Nieuwland (tweede Midwolderpolder)1701Kroonpolder1696Süderpolder, Bunder Interessentenpolder en Norder-Christian-Eberhards-Polder1707
Süder-Christian-Eberhards-Polder 1708
Oostwolderpolder 1769 Stadspolder 1740 Landschaftspolder 1752
Finsterwolderpolder1819Heinitzpolder [de]1796
Königspolder (Emden) 1854
Reiderwolderpolder I (particulier)1862Reiderwolderpolder II (stad)1874Kaiser-Wilhelms-Polder (Emden)1874
Johannes Kerkhovenpolder1878Kanalpolder [de]1877
Hafenpolder (Emden) 1905
Carel Coenraadpolder1924Wybelsumer Polder (Emden)1911-23
Breebaartpolder1979

De oudste dijken in de westelijke Dollardboezem worden gewoonlijk op 1545 en 1597 gedateerd. Deze jaartallen zijn ontleend aan een verloren Dollardkaart van Ludolph Tjarda van Starkenborgh, omstreeks 1680, die werden overgenomen op de provinciekaart van Theodorus Beckeringh uit 1781 en de voorstudies daarvoor. De poldercontracten dateren echter uit 1542, 1573 en 1596. Volgens een akte uit 1596 is de dijk nog datzelfde jaar voltooid.

Natuurgebied

De Kiekkaaste in Nieuwe Statenzijl

Werelderfgoed

De Dollard is sinds de jaren tachtig een beschermd natuurgebied en maakt sinds 2009 deel uit van het UNESCO‑werelderfgoed Waddenzee. Het grootste deel van het gebied valt tevens onder de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen in het kader van het netwerk Natura-2000 waardoor het de hoogst haalbare beschermingsstatus binnen de Europese wetgeving heeft. De beschermingsgeschiedenis verschilt per land: het Duitse deel van het Waddengebied kreeg al in 1982 een formele beschermingsstatus.

De vaargeul van de Eems is buiten de werelderfgoednominatie gehouden, omdat dit open water een intensief gebruikte scheepvaartroute vormt naar de zeehavens van Emden en Delfzijl, wat niet verenigbaar is met de natuurlijke criteria die UNESCO hanteert.

Het totale beschermde gebied bestaat uit een dynamisch landschap van kwelders, slikken, zandplaten, wadden, wadgeulen en open water. De kwelders bestaan vooral uit zeeastervelden en zilt grasland met zoutminnende planten als zeekraal, schorrenkruid en zeealsem. Rond de monding van de Westerwoldse Aa heeft zich bovendien een uitgestrekt en uniek brakwaterrietmoeras gevormd.

Het Duitse deel van de Dollard (2250 hectare), aanvankelijk zonder de noordrand) werd in 1976 erkend als wetland van internationale betekenis onder de Conventie van Ramsar. In 1982 kreeg het gebied de status van Naturschutzgebiet [de] (beschermd natuurgebied), en in 1986 werd het aangewezen tot (Europees) vogelreservaat. SInds 2000 maakt het gebied deel uit van het Nationaal Park Niedersächsisches Wattenmeer, waar het is ingedeeld bij de strengste beschermingszone (Ruhezone I). Het Dollardgebied werd tussen 1999 en 2001 aangewezen als Flora- en Faunahabitatgebiet [de] (FFH-Gebiet) en in 2004 definitief erkend. In 2013 (formeel 2017) werd het beschermde gebied uitgebreid met het habitatgebied Unterems und Außenems, waarin in 2019 de natuurgebieden Unterems [de] en Außenems [de] een formele status kregen.

De Duitse kwelders (300 hectare), buitendijkse gronden en dijken zijn grotendeels staatseigendom, in dit geval van de deelstaat Nedersaksen. Het land wordt door de overheid – namelijk het Niedersächsischer Landesbetrieb für Wasserwirtschaft, Küsten- und Naturschutz [de] – beheerd en verpacht aan boeren uit de naburige polders. Zij gebruiken de buitendijkse kwelders voor begrazing en hooiwinning. Greppels verdelen het land in smalle percelen; de rietkraag is er slechts smal. De agrarische activiteiten worden echter de sinds aanwijzing als natuurgebied in toenemende mate beperkt ten behoeve van de vogelbescherming.

Het Nederlandse deel van de Dollard valt sinds 1981 onder de Natuurbeschermingswet en werd in 1984 erkend als wetland van internationale betekenis volgens de Conventie van Ramsar. In 1991 werd het vogelrichtlijngebied Dollard ingesteld, dat in 2009 werd opgenomen in het grotere Natura-2000-gebied Waddenzee. Daarnaast het gebied Eems-Dollard in 2017 aangewezen als de habitatrichtlijngebied, waarmee het deel ging uitmaken van het volledige Natura‑2000‑netwerk.

Het Nederlandse deel is sinds 1981 voor ruim de helft aangekocht door Natuurmonumenten en het Groninger Landschap (samen 3846 hectare). Natuurmonumenten beheert vooral de slikken, platen en het open water, terwijl het Groninger Landschap verantwoordelijk is voor ruim 400 ha kwelders, samen met de Polder Breebaart en de Punt van Reide. De kwelders worden extensief begraasd door ongeveer 300 tot 400 Limousin-runderen, die ervoor zorgen dat het landschap niet verruigt en dat er 's winters voldoende kweldergras beschikbaar blijft voor de grote aantallen doortrekkende ganzen.

Zo'n 1250 hectare – waarvan bijna 200 hectare kwelders – zijn eigendom van twee particuliere ondernemingen, de Maatschappij tot Exploitatie van het Onverdeelde Munnikeveen B.V. en N.V. Johannes Kerkhovenpolder. DDeze kwelders, vrijwel allemaal behorend tot het Munnekeveen, worden verpacht en gebruikt als weiland voor runderen en schapen. Het beheer is minder extensief: de begreppeling wordt actief in stand gehouden om verruiging door riet tegen te gaan. Het overige deel van het Dollardgebied is rijksgrond (Rijksvastgoed/Rijkswaterstaat) en bestaat voornamelijk uit open water en vaargeulen.

In de Dollard leven ongeveer 160 zeehonden, vooral bij de Punt van Reide, waar ze vanuit de Zeehondenkijkwand bij het Bezoekerscentrum Dollard goed te zien zijn.

Vogelgebied

Sinds eind jaren zestig staan Eemsmonding en Dollard bekend als een van de belangrijkste vogelgebieden van Nederland, met name voor trekvogels, steltlopers en als broedgebied voor watervogels. Er bevinden zich belangrijke populaties van de bonte strandloper, brandgans, grutto, kluut, kolgans, rietgans, rosse grutto, tureluur, wintertaling, zilverplevier, zwarte ruiter en andere watervogels. Het Duitse deel is sinds 1986 beschermd als vogelgebied, het Nederlandse sinds 1991. BirdLife International heeft beide delen in 1989 aangewezen als Important Bird Area, het Nederlandse deel als onderdeel van de Waddenzee.

Geisedam

Aan de noordkant worden Dollard en Eems van elkaar gescheiden door de Geisedam (ook wel Geise-Leitwerk of -Trennwerk), een stelsel van kribben en strekdammen langs de Beneden Eems over de zandbank Geise [de]. De dam werd tussen 1870 en 1890 aangelegd om verdere verplaatsing van de rivier en het dichtslibben van de vaargeul tegen te gaan. Hierdoor ontstond een 1 tot 3 km brede kunstmatige oeverwal (de Geiserücken), die de getijdenwerking in de Dollard begrenst en afhankelijk maakt van de instroom vanuit de Waddenzee. Het eerste tracé had een lengte van in totaal 6 km en werd gebouwd onder toezicht van de Pruissische rijkswaterstaat [de]. In 1932-1933 werd de strekdam verlengd en verzwaard, en in de jaren 1958 tot 1964 volgde een verdere uitbouw, waarbij een nieuwe dam – dichter bij de rivier – werd voorzien van steenglooiing en doorgetrokken tot Pogum over een lengte van 11 km. Plannen om hier een buitendijkse Dollardhaven aan te leggen, werden in 1988 afgeblazen (zie onder).

Dollardkanaal

Na de indijking van de Carel Coenraadpolder in 1924 werd de landaanwinning voortgezet, vooral in het kader van de werkverschaffing, sinds 1937 de vlag van Provinciale Waterstaat Groningen. In 1953 was hierdoor een kwelder van ongeveer 1 km breed ontstaan. De werkzaamheiden werden In 1954 stopgezet, waarna de kwelderrand zich jaarlijks zo'n 2 m terugtrok.

Na de Tweede Wereldoorlog waren er plannen om grote delen van het Dollardgebied in te polderen. In 1951 werd de Dollard-commissie onder voorzitterschap van oud-gedeputeerde Edzo Ebels ingesteld, die in 1953 met een geheim rapport kwam waarin inpoldering werd voorgesteld. In het vervolg daarvan werd ook nagedacht aan de aanleg van een buitendijks scheepvaartkanaal, dat de Winschoten beter toegankelijk moest maken voor zeeschepen van tot 1500 ton. Door de bouw van een nieuwe zeesluis bij de Punt van Reide zou de ontwatering van het achterland verbeteren, terwijl tevens de zeedijk op hoogte zou kunnen worden gebracht. In 1963 kwam de Eems-Dollard-commissie met een nieuw advies, waarin men in het midden liet of het kanaal binnen- of buitendijks zou moeten worden aangelegd. Het alternatief van een binnendijks kanaal stuitte echter op verzet in boerenkring. Liever wilde men 1000 ha land inpolderen. In 1964 werd er in Oost-Groningen volop actie gevoerd voor de inpolderingsplannen.

Sinds het einde van jaren zestig groeide echter de waardering voor de Dollard als internationaal natuurgebied. Er bestond vooral angst dat de Nederlandse indijkingsplannen het leefgebied van de kluut zouden aantasten. Hoewel er al een sluizencomplex bij de Punt van Reide was gebouwd, besloot het kabinet-Den Uyl in 1974 de indijkingsplannen op te schorten en de voorrang te geven aan verdergaande beschermingsmaatregelen. De Polder Breebaart werd in 1979 wel voltooid, maar ingericht als natuurgebied. In 1999 werd in het kader van natuurontwikkeling een duiker aangelegd, waardoor de waterstand in de polder weer onder invloed staat van het getij en verzilting en verbrakking optreedt.

Dollardhaven

Grote onrust ontstond door Duitse plannen voor een buitendijkse Dollardhaven in de jaren 70, ter grootte van 700 ha. Het Emder vaarwater zou aan twee kanten worden afgesloten met zeesluizen, waardoor een besloten havenbekken voor schepen tot 100.000 ton draagvermogen zou ontstaan. De geplande haven werd aan de zuidkant begrensd door de Geisedam, die inmiddels aanmerkelijk was opgehoogd. De hoofdstroom van de Beneden Eems zou tegelijkertijd via de Dollard worden omgeleid. Vanwege de hoge kosten werd de werkzaamheden aanvankelijk uitgesteld. De Waddenvereniging en andere milieuorganisaties maakten bezwaar, en ook de havensteden Bremen en Hamburg verklaarden zich tegen het plan. Hoewel de Duitse regering hiervoor via het Kooperationsvertrag Ems-Dollart in 1984 overeenstemming met Nederland bereikte, aarzelde de Eerste Kamer het verdrag te ratificeren. Het megaproject werd daarna in 1989 afgeblazen. Financiële redenen gaven vermoedelijk de doorslag. Ook het grootschalige Vorhafen-Projekt, dat voorzag in nieuwe havenfaciliteiten bij de Rysumer Nacken werd in 1994 vanwege de hoge kosten opgegeven. Nieuwe plannen uit de jaren 2010 tot 2014 bleven in de beginfase steken. De grote zeesluis van Emden werd in de jaren 1992 tot 1997 alsnog gerenoveerd.

Slibproblematiek

Het Eems-Dollardgebied heeft ernstig te lijden onder troebel water (hyperturbidity) en ophoping van vloeibaar slik (fluid mud) in het brakwatermilieu. Dit heeft ernstige gevolgen voor de scheepvaart, de visserij en de lokale ecologie, omdat het gebrek aan zonlicht de algengroei – de basis van de voedselketen – blokkeert. Zo heeft zich op de bodem van de Beneden Eems inmiddels een sliblaag van enkele meters gevormd. Er is hier weinig bodemleven overgebleven. Ook in de Dollard heeft men hoge slibconcentraties gemeten (tot 160 mg/l). Het verdwijnen van schelpdierbanken en zeegrasvelden wordt vooral aan het troebele water geweten.

Het probleem is ontstaan door de verdergaande uitdieping van de Eemsvaargeul en de uitwisseling van water en slik met de Dollard. In de Eemsmonding wordt jaarlijks 8 tot 12 cubieke meter slib gebaggerd, meer dan in de rest van de Nederlandse Waddenzee. Het proces van vertroebeling en sedimentatie volstrekt zich vooral via de Geisedam, wanneer deze bij hoogwater overstroomt. Hydrologen omschrijven deze waterbeweging als een residuele circulatiecel, die fungeert als een constante hydraulische motor voor slibtransport. Binnen deze cel wordt het water en slib in een vicieuze cirkel tussen de Dollard en de Eemsvaargeul rondgepompt, wat de vorming van vloeibare sliblagen blijft voeden. Kennis over deze processen werd vooral verkregen door onderzoek van Rijkswaterstaat en Royal Haskoning, in samenwerking met andere Nederlandse en Duitse partners binnen het Ems Dollard Measurements project (EDoM).

Verschillende nationale en grensoverschrijdende programma's, waaronder Eems-Dollard 2050, proberen de slibproblematiek aan te pakken via herstelmaatregelen, zoals slibwinning en bevordering van kweldervorming. Van radicale, grootschalige ingrepen in het hydrodynamische systeem – zoals het structureel verhogen van de Geisedam of het volledig weggraven van de onderzeese Geiserücken – is vooralsnog geen sprake.

Eems-Dollard 2050

Eems-Dollard 2050 (ED2050) is een provinciaal programma voor herstel van de natuur en versterking van de economie in de Eems-Dollard estuarium, gestart in 2016. De provincie Groningen werkt hierin samen met gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat, natuurorganisaties en bedrijven. Het programma heeft tot doel natuurlijke leefgebieden te herstellen en uit te breiden, veiligheid ten opzichte van overstromingsrisico's te bevorderen, en tegelijkertijd nieuwe kansen te bieden aan de regionale economie. Dat laatste door het bevorderen van innovatieve, circulaire oplossingen. Het gaat daarbij onder andere om klimaatadaptie (vanuit het concept 'meegroeiende kust') en het tegengaan van vertroebeling van het open water in het estuarium. Meerdere pilotprojecten worden uitgevoerd om slib op te vangen en uit het water te halen, bijvoorbeeld middels dubbele dijken en kwelderwerken.

In de afgelopen eeuwen zijn grote gebieden rond de Eems-Dollard ingepolderd, waardoor er weinig ruimte is voor slib om te bezinken. Bovendien zijn de vaargeulen over tijd dieper en breder gemaakt, waardoor de vloedstroom een stuk sterker is dan de ebstroom. Het gevolg is dat er nu te veel slib in het water zit, wat negatieve gevolgen heeft voor de voedselketen. Om dit slibprobleem aan te pakken, werken overheden, natuur- en milieuorganisaties en bedrijven samen in het Programma Eems-Dollard 2050. Dit moet bijdragen aan het ecologisch herstel van het gebied. Daarnaast zijn de projecten bedoeld als voorbeelden van sedimentatie bevorderende strategieën, omdat het bezonken slib bij kan dragen aan verhoging van het land. Dit tevens is relevant in het licht van zeespiegelstijging en bodemdaling.

Landsgrens

Duits-Nederlands grensdispuut in de Dollard
Zie ook Eems-Dollardkwestie

De grens tussen Nederland en Duitsland loopt door de Dollard. De twee landen verschillen van mening over het verloop van die grens. Volgens de Nederlandse opvatting loopt die grens vanaf Nieuwe Statenzijl loodrecht naar de Eems, om daarna het midden van de stroom te volgen. Volgens de Duitse opvatting is de Eems in zijn geheel Duits grondgebied, tot aan de westelijke oever vanaf de Punt van Reide tot de Eemshaven.

Tot ver in de middeleeuwen maakte het hedendaagse Dollardgebied deel uit van het landschap Reiderland. Kerkelijk was het gebied verdeeld onder de bisdommen Münster en Osnabrück. De grens tussen Reiderland en het aangrenzende landschap Oldambt werd (grotendeels) gevormd door het veenriviertje de Tjamme.

Nog vóór de eerste doorbraak van de Dollard viel het Reiderland uiteen in twee invloedssferen. De dorpen ten oosten van de Reider Ee sloten zich aan bij Oost-Friesland. Deze rivier vormde de voortzetting van de Pekel A en de Westerwoldse Aa; hij mondde uit in de Eems bij de Punt van Reide. In 1427 bekrachtigden de dorpen in Reyderland op der wester zyd der Ee een zoenbrief met de hoofdeling Haije Addinga van Westerwolde. Twee jaar later werkten beide delen van het Reiderland samen in een poging de zeedijken te herstellen en in 1435 stelden de dorpen Winschoten en vermoedelijk ook Beerta zich onder bescherming van de stad Groningen. In een vervalste akte uit het midden van de 16e eeuw, gedateerd op 1454, wordt later de Aa (Aha) genoemd als grens van het graafschap Oost-Friesland.

De buitendijkse stroomgeul van de Aa in de Dollard gold sinds de 16e eeuw als de (lands)grens tussen de Nederlanden en het Duitse Rijk. De eigendom van de kwelders bij de riviermonding en de grens stroomopwaarts bij het riviertje de Lethe waren echter echter omstreden. De graaf van Oost-Friesland gaf in 1605 toestemming voor de aanleg van een nieuwe polder (Bunderneuland [de]), maar de Groingers gebruikten dit gebied in 1628 om de vesting Nieuweschans aan te leggen. In 1636 bereikte het Groningse provinciebestuur een overeenkomst met de graaf over een forse schadevergoeding. Na de bedijking van de Charlottenpolder [de] in 1682 en de Kroonpolder in 1696 sloten beide partijen in 1706 een nieuwe overeenkomst, waarin werd vastgelegd dat de grens voortaan midden door de Westerwoldse Aa zou lopen.

Ook na de doorbraak van de Dollard had de stroomgeul van de Ae vermoedelijk een redelijk stabiel verloop, totdat deze aan het begin van de achttiende eeuw naar het noordwesten begon te verschuiven. De stad Groningen bouwde toen een rijsdam om de buitengeul van de Aa weer naar het oosten te dwingen. De Oost-Friese vorst protesteerde daar weer tegen, omdat hij zijn aanwasrecht rond het verdronken eiland Garmede aangetast zag. In 1723 werd het conflict bijgelegd door het vastleggen van een kaarsrechte grenslinie vanaf de monding van de Aa bij Oude Statenzijl, roijende op de kerke van Nesserland, een kweldereiland bij Emden. Voor een nadere bepaling werden enkele dukdalven geplaatst die de grens in NNO-richting aangaven. Dit paalwerk raakte spoedig in verval, zodat nieuw overleg nodig was. Het grillige verloop van de waterstromen in Eems en Dollard leidde ook daarna herhaaldelijk tot conflicten en is nooit afdoende en tot volle tevredenheid van beide landen afgewikkeld.

De grenslijn "door den Dollard tot aan de Eems" werd opnieuw bevestigd in het Verdrag van Meppen [de], dat in 1824 werd gesloten tussen de koninkrijken Nederland en Hannover. Hij werd in 1860 licht gecorrigeerd ten nadele van Nederland. Na vaststelling van de grens ontstonden nieuwe geschillen over de gronden die Groningen bleef claimen in Hannover en over de precieze ligging van de eerste grenssteen. Waar Nederland er vanuit ging dat de voortzetting van de grenslijn midden door de Eems zou lopen, meende men in Duitsland dat ook de zuidelijke rivieroever vanaf de zandbank Geise tot aan de Punt van Reide onder Duitse soevereiniteit viel. Nederland heeft zich in dit conflict met de machtige Duitse nabuur altijd terughoudend opgesteld. Pas in 1960 is de kwestie geregeld via het Eems-Dollardverdrag. Het omstreden gebied langs de Eemsstroom wordt nu gemeenschappelijk beheerd. Ook het Nederlandse deel van de Dollard valt onder de bepalingen in het verdrag.

De visserij op de Dollard vormde een potentiële bron van conflict. In 1913 kregen de ‘vischopzieners’ te Nieuwe Statenzijl en Finsterwolde van rijkswege een motorboot ter beschikking, zodat ze beter controle konden houden op de Duitse vissers. In de jaren dertig waren er problemen tussen garnalenvissers uit Finsterwolde en Dyksterhusen. Ook wilde men van Nederlandse zijde de Duitse landaanwinnig beter in de gaten houden. In 1936 werd daarom het plan opgevat om met Duitse medewerking drie grenspalen in de Dollard te plaatsen. Slechts één daarvan – grenspaal 204 – is gerealiseerd in de winter van 1938/39, in de vorm van een twalf meter hoge dukdalf. De bouw kostte 9.000 gulden en werd uitgevoerd door een aannemer uit Beerta. De paal hielp sindsdien de vissers hun territorium te bepalen. Het monumentale bouwwerk is in slechte staat, maar is nog altijd aanwezig. Het baken bevindt zich op de Maanplaat voor de dijk van de Kanalpolder en is te voet vrijwel niet bereikbaar. De laatste stenen grenspaal op het vasteland – met het opschrift punctum a quo ("vanaf dit punt (gerekend)")– was nog in 2023 voorhanden.

Bezienswaardigheden

Bij Pogum-Dyksterhusen [de], aan de oostkant van de Dollard, bevindt zich een verlaten boorplatform in de Dollard, bereikbaar via een dijk van één kilometer. Hier werden in 1964 proefboringen naar aardgas uitgevoerd. Van hieruit heeft men tegenwoordig een prachtig uitzicht over de gehele Dollard. Bij vloed kan er worden gezwommen en gesurft (zonder toezicht). Het is het meest westelijke punt van de Duitse gemeente Jemgum. De toegangsdijk en de grote parkeerplaats zijn tussen 9 uur 's ochtends en 10 uur 's avonds te gebruiken.

Film over visvangst in de Dollard met een slikslee in 1951

Rond het boorplatform vindt ieder jaar een sliksleewedstrijd (Kreierrennen) plaats. De slikslee of kraaite werd door vissers in het waddengebied gebruikt om zich over het wad te kunnen verplaatsen. Tegenwoordig wordt deze vorm van vissen nauwelijks meer uitgevoerd.

Op de landsgrens bij Nieuwe Statenzijl, waar de Westerwoldse Aa in zee uitmondt, staat de vogelkijkhut 'Kiekkaaste' die het hele slikkengebied overziet. Bij Termunten, niet ver van de Punt van Reide bevindt zich het Bezoekerscentrum Dollard van Het Groninger Landschap. Een uitkijktoren geeft hier zicht op de Polder Breebaart, terwijl een zeehondenkijkwand een blik biedt op de leefwereld van de zeehonden. In de polder bevindt zich tevens een vogelkijkhut. Een ander uitzichtspunt is de dijkovergang bij het Ambonezenbosje in de Carel Coenraadpolder.

Allerlei

Zie ook

Historische kaarten

Literatuur

p. 3-14: K.-E. Behre, 'Stormvloeden en kustlijnveranderingen langs de zuidelijke Noordzee tot 1509' p. 31-44: P.C. Vos en E. Knol, 'Ontwikkelingsgeschiedenis van het Dollardlandschap'
p. 45-47: K. Essink, 'Brakwaterkokkels – over een verdwenen biotoop'
p. 61-75: J. Ey, 'Middeleeuwse opstreknederzettingen in het oostelijk Dollardrandgebied'
p. 75-94: J. Molema, 'De middeleeuwse kerk van de veenontginningsnederzetting Midwolda'
p. 95-116: O.S. Knottnerus, 'Dollardgeschiedenis(sen) – Mythe en realiteit'
p. 117-126: E. Knol, 'Nooit verdwenen Dollardland'
p. 127-135: D.O. Steen, 'De Nederlands-Duitse grens in het Dollardgebied'
p. 137-148: K. Essink, 'De Dollard, een dynamisch systeem onder invloed van de mens'
p. 149-155: M. Duijvendak, 'Storm watching: de invloed van de Cosmas en Damianus stormvloed 500 jaar later'
Zie de categorie Dollard van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.