
Edvard Moritz (eigenlijk: Eduard Moritz) (Hamburg, 23 juni 1891 – New York, 30 september 1974) was een Duits-Amerikaans componist, muziekpedagoog, dirigent, violist en pianist. Hij was de zoon van het echtpaar Ernst Moritz (koopman en winkelier) en zijn vrouw Fanny Moritz. Voor bepaalde werken gebruikte hij het pseudoniem Herbert Loé alsook een naamvariatie Edward Moritz.
Moritz kreeg als kind muziek- en vioolles bij Heinrich Bandler, toen concertmeester van het filharmonisch orkest van Hamburg. Vanaf 1909 studeerde hij in Parijs bij Martin Marsick (viool) en bij Louis-Joseph Diémer (piano). Volgens Erich H. Müller studeerde hij ook bij Claude Debussy, alhoewel die geen compositielessen gaaf. In Berlijn studeerde hij viool bij Carl Flesch, piano bij Ferruccio Busoni en compositie bij Paul Juon; verder studeerde hij in Leipzig bij Arthur Nikisch orkestdirectie.
Moritz bleef woonachtig in Berlijn en ging vandaar op concertreizen als violist en later vooral als gastdirigent in andere steden en in het buitenland (Engeland, Frankrijk, Spanje, Portugal en Italië). Langzamerhand begon hij ook te componeren. In 1919 ging zijn Burleske op. 9 door de Berliner Philharmoniker onder leiding van Arthur Nikisch in première. Na de overname van de politieke macht door de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij in 1933 werd Moritz vanwege zijn Joodse afkomst vervolgd en gedwongen zijn werkzaamheden op evenementen van de Joodse cultuurbond te bepalen. In 1934 verzorgde hij als altviolist huisconcerten met kamermuziek in Hamburg; in 1934/1935 was hij dirigent van het nieuw opgerichte Joodse kamerorkest in Hamburg, waarin bekende Joodse professionele muzikanten en solisten meewerkten zoals Ilse Urias, Jakob Sakom en Hertha Kahn. Dit orkest financierde zich vooral door optredens bij de Joodse gezelschap voor kunst en wetenschap. Het speelde tijdens deze concerten ook werken van Moritz zelf, bijvoorbeeld Streicher Scherzo op 10 november 1934. In 1936 werd een nieuw strijkorkest opgericht, dat door Moritz gedirigeerd werd. In Berlijn was hij in 1936/1937 eveneens dirigent van het Joodse kamerorkest Berlijn.
Alhoewel hij eerste als zogenoemd niet-arisch lid opgenomen was, werd hij op 19 augustus 1935 uit deze beroepsorganisatie verwijderd, wat gelijk te stellen was met een beroepsverbod. Hij werd in 1935 in de zogenoemde Goebbels-Lijst opgenomen, die voor de censuur diende.
In september 1937 reisde hij met een visum uit Göteborg met het schip "S.S. Königstein - Arnold Bernstein Line" vanaf Antwerpen naar New York. Aldaar debuteerde hij op 2 mei 1938 met het Edvard Moritz Chamber Orchestra in de Town Hall. Vanaf 1940 werd hij docent voor piano en compositie aan de La Follette School of Music in New York. Een van zijn studenten aldaar was de popzanger Bobby "Chain Gang" Scott. In 1943 werd hij genaturaliseerd.
| Voltooid in | titel | aktes | première | libretto |
|---|---|---|---|---|
| Circe (of: Über allen Zauber Liebe) | 3 bedrijven |
| Voltooid in | titel | aktes | première | libretto | choreografie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Die Dschinnijah, op. 31 | 1 akte |