Klaus Groth

Klaus Groth
Klaus Groth (1888)
Klaus Groth (1888)
Persoonsgegevens
Geboortedatum 24 april 1819Bewerken op Wikidata
Geboorteplaats HeideBewerken op Wikidata
Overlijdensdatum 1 juni 1899Bewerken op Wikidata
Overlijdensplaats KielBewerken op Wikidata
Opleiding en beroep
Opleiding gevolgd aan onderwijzersseminariumBewerken op Wikidata
Promotie habilitatie (september 1858; Filosofiefaculteit van de Christian Albrechts-Universiteit)Bewerken op Wikidata
Werkveld(en) historische taalkunde, taalfilosofieBewerken op Wikidata
Werken
Bekende werken Matten HasBewerken op Wikidata
Erkenning en lidmaatschap
Lid van Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en LetterenBewerken op Wikidata
Archief­locatie Landsbibliotheek van Sleeswijk-Holstein, Universiteitsbibliotheek KielBewerken op Wikidata
Prijzen en onderscheidingen eredoctoraat van de Universiteit van Bonn (1855), Orde van de Rode Adelaar, 3e klasse (1889), Schillerprijs (1891), ereburger van Kiel (1899), ereburger van Heide (1899), Orde van de Rode Adelaar, 2e klasse (1899), ridder 2e klasse in de Huisorde en Orde van Verdienste van Hertog Peter Friedrich Ludwig, ridder in de Saksisch-Ernestijnse HuisordeBewerken op Wikidata
Links
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Klaus Groth (gedoopt als Claus Johannes Groth) was een Duits dichter, vooral in het Nederduits, maar ook in het Hoogduits.

Hij werd geboren op 24 april 1819 te Heide in Sleeswijk-Holstein, en overleed op 1 juni 1899 te Kiel.

Klaus Groth was de zoon van een molenaar, studeerde in zijn tienerjaren voor klerk en onderwijzer, en was ongeveer vanaf zijn 18e jaar onderwijzer. Hij had zijn gehele leven lang een zwakke gezondheid.

In 1847 kreeg hij een geestelijke en lichamelijke inzinking, en verhuisde, om te revalideren, naar het eiland Fehmarn. In het dorpje Landkirchen op dat eiland woonde hij tot 1853 bij zijn jeugdvriend Leonhard Selle.

In 1852 schreef Groth zijn eerste succesvolle gedichtenbundel in het Platduits, getiteld Quickborn. Leonhard Selle zette enige van de gedichten uit deze bundel op muziek. Niemand minder dan de beroemde schrijver Theodor Storm publiceerde een zeer lovende recensie van deze bundel; hierdoor werd Klaus Groth zelf ook beroemd, en ging ook (opnieuw) gedichten in "gewoon" Duits schrijven.

In 1853 verhuisde Groth naar de stad Kiel. Daar werkte hij mee aan het samenstellen van een spellingsleer en een grammatica van het Nederduits. Begin 1855 verscheen een prozawerk Vertelln van Groths hand.

Daarna ging Groth enige jaren op reis naar zuidelijker streken. In 1855 eerde de Universiteit van Bonn hem met een eredoctoraat. Groth hield lezingen en gaf colleges, waarbij hij de Nederduitse taal propageerde als niet alleen een taal voor kluchten en dorpsgedichtjes, maar voor ook serieuze literatuur van hoog niveau. Hierbij kwam hij wegens hun beider opvattingen in conflict met zijn collega Fritz Reuter.

In 1858 voltooide hij zijn werk Vær de Gærn (Voor de Kinderen; met later bekend geworden wiegeliedjes), en verkreeg hij de venia legendi (bevoegdheid om colleges te geven) van de filosofische faculteit der universiteit te Kiel, en in 1866 benoemde de toen Oostenrijkse regering van Holstein hem tot professor. In deze tijd schreef hij een epos De Heisterkrog, en later een autobiografisch werk Min Jungsparadies en talrijke gedichten.

In 1859 trouwde Groth, na één jaar verloving, met de dochter van een wijnhandelaar, Doris Finke. Zij kregen vier kinderen, allen zoons, van wie er echter één reeds als zesjarig jongetje overleed. In 1876 ondernam hij met zijn ernstig zieke vrouw een kuurreis naar het Zuid-Franse Menton, waar hij zijn boek Ut min Jungsparadies schreef. Twee jaar later overleed, tot groot verdriet van Groth, zijn vrouw aan TBC. In 1893 verscheen een bundel van Klaus Groth’s Gesammelte Werke (verzameld werk). Met zijn tachtigste verjaardag verleenden Kiel en Heide hem de status van ereburger. Zes weken later, op 1 juni 1899, overleed Groth te Kiel.

In veel Duitse steden, waaronder Bremen, Hamburg, Berlijn, Frankfurt am Main en Neurenberg, zijn straten of scholen naar Klaus Groth genoemd.

Te zijner ere werd in 1939 de Klaus-Groth-Preis ingesteld, anno 2023 een door de stad Heide elke vier jaar verleende literatuurprijs voor Nederduitse lyriek.

In 1914 werd in het geboortehuis van Klaus Groth een naar hem genoemd en aan hem gewijd museum gesticht.


Samen met Fritz Reuter was Klaus Groth een van de belangrijkste schrijvers in het Nedersaksisch. Deze beide dichters worden gezien als de grondleggers van de moderne Nedersaksische literatuur.

Veel van Klaus Groths gedichten zijn in het Nederlands en Fries vertaald.

Enige Hoogduitse vertalingen van Groths gedichten werden vanaf omstreeks 1874 door Johannes Brahms in zijn werken opus 59, 63, 66, 97, 104, 105 en 106 op muziek gezet.

Zie de categorie Klaus Groth van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.