Mirari Vos

Deel van de serie over
documenten van de
Heilige Stoel

Constituties, encyclieken,
exhortaties en instructies

Wapen van de Heilige Stoel
op gezag van
de Heilige Stoel
Constituties

Sacrosanctum Concilium
Gaudium et Spes
Lumen Gentium

Encyclieken

Pius IX
Leo XIII
Pius X
Benedictus XV
Pius XI
Pius XII
Johannes XXIII
Paulus VI
Johannes Paulus II
Benedictus XVI
Franciscus

Instructies

Inter Oecumenici
Liturgiam Authenticam
Redemptionis Sacramentum

Mirari Vos (naar de openingswoorden Mirari vos arbitramur) is een encycliek van paus Gregorius XVI, uitgevaardigd op 15 augustus 1832. De encycliek is gericht aan de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen en bisschoppen van de katholieke wereld. De officiële Latijnse kop omschrijft het onderwerp als de Ecclesiae civilisque societatis perturbatione, over de ontwrichting van Kerk en burgerlijke samenleving.

Het document behandelt verschillende ontwikkelingen die Gregorius XVI als bedreigingen voor de kerkelijke en maatschappelijke orde beschouwde. Het verdedigt het kerkelijk leergezag en de kerkelijke discipline, het clericale celibaat en de onontbindbaarheid van het huwelijk. Daarnaast veroordeelt het religieus indifferentisme, een onbeperkte vrijheid van geweten en meningsuiting, een onbeperkte persvrijheid, opstand tegen het wettige gezag en de verbreking van de band tussen Kerk en staat. In de geschiedschrijving wordt de encycliek in het bijzonder geplaatst tegen de achtergrond van het conflict rond de Franse priester en publicist Félicité Robert de Lamennais en het liberaal-katholieke dagblad L'Avenir. Lamennais wordt in de encycliek niet bij naam genoemd, maar historici behandelen Mirari Vos als een afwijzing van belangrijke onderdelen van het programma dat hij en zijn medestanders verdedigden.

Historische achtergrond

De encycliek verscheen in de nasleep van de politieke omwentelingen van 1830. In Frankrijk had de Julirevolutie de Restauratiemonarchie van Karel X ten val gebracht. In oktober 1830 begon L'Avenir te verschijnen. Onder leiding van Lamennais en met medewerkers als Henri-Dominique Lacordaire en Charles de Montalembert verdedigde het blad onder meer ruime godsdienstvrijheid, persvrijheid en een grotere onafhankelijkheid van de Kerk tegenover de staat.

Ook in de Kerkelijke Staat was de politieke toestand onrustig. Kort na de verkiezing van Gregorius XVI in 1831 braken opstanden uit en werden Oostenrijkse troepen ingezet om het pauselijke gezag in delen van Midden-Italië te herstellen. Joseph N. Moody concludeert uit het later gepubliceerde dossier over de zaak-Lamennais dat deze omstandigheden een gunstig onthaal van diens programma in Rome bijzonder moeilijk maakten. Oostenrijk en andere conservatieve regeringen oefenden volgens het dossier bovendien druk op de Heilige Stoel uit. Moody volgt echter de samenstellers van het dossier in hun oordeel dat deze buitenlandse druk wel invloedrijk, maar niet beslissend was en dat de uiteindelijke veroordeling in Rome vooral op religieuze gronden werd gemotiveerd.

Gregorius zelf verwijst aan het begin van de encycliek naar de politieke onrust tijdens de eerste fase van zijn pontificaat en naar zijn inspanningen om de openbare orde te herstellen. Daardoor heeft het document zowel een kerkelijke als een politiek-maatschappelijke context.

Adressering en opbouw

Mirari Vos is een pauselijke rondzendbrief aan de bisschoppelijke hiërarchie en is niet geadresseerd aan alle gelovigen of aan „alle mensen van goede wil”. De tekst begint met een verklaring voor het uitblijven van een eerdere rondzendbrief en met een beschrijving van de toestand van Kerk en samenleving. Vervolgens behandelt Gregorius achtereenvolgens het kerkelijk gezag en de kerkelijke discipline, het celibaat en het huwelijk, het indifferentisme, de vrijheid van geweten en de pers, de verhouding tot het burgerlijk gezag en de verhouding tussen Kerk en staat. Het slot bevat aansporingen aan bisschoppen en vorsten en een gebed om bescherming van de Kerk.

Inhoud

Kerkelijk gezag en discipline

Een eerste deel van de encycliek handelt over de inrichting en het gezag van de Kerk. Gregorius benadrukt de verbondenheid van de bisschoppen met de Heilige Stoel en het bewaren van het geloofsgoed. Hij verzet zich tegen voorstellen voor een fundamentele „restauratie” of „regeneratie” van de Kerk alsof haar goddelijke inrichting gebrekkig zou zijn. Daarbij beroept de tekst zich op vroegere pausen, kerkvaders en concilies, waaronder het Concilie van Florence en het Concilie van Trente.

In dezelfde context verdedigt de encycliek de kerkelijke verplichting tot celibaat voor geestelijken en de sacramentele en onontbindbare aard van het christelijk huwelijk. Gregorius stelt dat een geldig gesloten huwelijk niet door menselijke beslissing kan worden ontbonden en dat de kerkelijke wetgeving inzake het huwelijk moet worden nageleefd.

Religieus indifferentisme

Een centraal onderwerp is het religieus indifferentisme. Gregorius omschrijft de door hem bestreden opvatting als de stelling dat het eeuwig heil kan worden verkregen door om het even welke geloofsbelijdenis, mits iemand overeenkomstig morele maatstaven leeft. Hij bestrijdt deze opvatting vanuit de katholieke aanspraak op de waarheid van het geloof en verwijst daarbij onder meer naar Efeziërs 4:5 („één Heer, één geloof, één doop”), Lucas 11:23, de geloofsbelijdenis die traditioneel aan Athanasius werd toegeschreven en teksten van Hiëronymus en Augustinus.

Het begrip indifferentisme heeft in de encycliek daarmee een specifiek soteriologische en leerstellige betekenis. Het gaat niet in de eerste plaats om persoonlijke onverschilligheid of gebrek aan belangstelling voor religie, maar om een opvatting over de verhouding tussen religieuze waarheid en heil.

Vrijheid van geweten en pers

Gregorius verbindt het indifferentisme vervolgens met wat hij libertas conscientiae, vrijheid van geweten, noemt. Hij keert zich tegen de opvatting dat een dergelijke vrijheid voor iedereen zonder verdere begrenzing zou moeten worden opgeëist. De encycliek verbindt die kritiek met wat zij omschrijft als een „volle en onbeperkte” vrijheid van meningen.

Daarop volgt een uitvoerige passage over de drukpers. Gregorius verwerpt de onbeperkte mogelijkheid om alle mogelijke geschriften te publiceren en verdedigt de traditionele kerkelijke censuur van werken die volgens het kerkelijk gezag schadelijke leerstellingen bevatten. Hij verwijst daarbij onder meer naar het Vijfde Lateraans Concilie, het Concilie van Trente en eerdere pauselijke maatregelen tegen verboden boeken.

Historicus Owen Chadwick behandelt deze passages binnen Gregorius' bredere verzet tegen het liberale programma dat in Frankrijk na 1830 opkwam. Zachary Calo plaatst de encycliek in de negentiende-eeuwse katholieke weerstand tegen een liberale opvatting van individuele godsdienstvrijheid waarbij Kerk en staat institutioneel van elkaar worden losgemaakt.

Burgerlijk gezag en verhouding tussen Kerk en staat

In het politieke gedeelte beroept Gregorius zich op Romeinen 13 en stelt hij dat burgerlijk gezag uiteindelijk van God afkomstig is. De encycliek veroordeelt opstand en pogingen om wettige vorsten met geweld van hun gezag te beroven. Tegelijkertijd verwijst zij naar de oude christenen als voorbeeld van gehoorzaamheid aan wereldlijke heersers voor zover hun bevelen niet met de godsdienst in strijd waren.

Vervolgens keert Gregorius zich tegen degenen die Kerk en staat van elkaar willen scheiden en de volgens hem heilzame overeenstemming tussen geestelijk en wereldlijk gezag willen verbreken. Het document formuleert daarmee geen algemene politieke theorie van alle vormen van liberalisme, maar behandelt concrete kwesties als gezag, rebellie, gewetensvrijheid, publicatievrijheid en de institutionele verhouding tussen Kerk en staat. Calo beschouwt dit als een voorbeeld van een katholieke maatschappijvisie waarin de samenwerking tussen religieus en burgerlijk gezag werd gezien als onderdeel van de morele orde.

Theologische en filosofische argumentatie

Schrift, traditie en leergezag

De argumentatie van Mirari Vos combineert Bijbelteksten met verwijzingen naar de kerkelijke traditie. Naast passages uit het Nieuwe Testament citeert of noemt Gregorius onder meer Cyprianus, Hiëronymus, Augustinus, Ireneüs, paus Gelasius I, paus Leo I en verschillende concilies. Deze verwijzingen ondersteunen in de tekst de aanspraken betreffende kerkelijke eenheid, geloof, huwelijk, gehoorzaamheid en de grenzen van vrijheid.

De kerkvisie van het document legt sterk de nadruk op continuïteit van leer en discipline, op het primaat van de paus en op de taak van bisschoppen om het overgeleverde geloofsgoed te bewaren. Hervormingen die uitgaan van de gedachte dat de goddelijke constitutie van de Kerk zelf tekortschiet, worden daarom afgewezen.

Geloof, rede en vrijheid

Aan het einde van de encycliek richt Gregorius zich expliciet tot degenen die zich met theologie en filosofie bezighouden. Hij waarschuwt hen niet uitsluitend op de kracht van het eigen verstand te vertrouwen bij vragen die volgens hem de menselijke rede te boven gaan. De menselijke rede wordt daarbij niet als zelfstandig criterium voor de mysteries van het geloof aanvaard; kennis van God wordt binnen het betoog afhankelijk gemaakt van goddelijke openbaring.

In moderne secundaire literatuur wordt het conflict rond Mirari Vos daarom mede bestudeerd als een botsing tussen verschillende opvattingen over waarheid, geweten en vrijheid. Calo beschrijft de oudere katholieke positie als een maatschappelijke orde waarin liberale godsdienstvrijheid en institutionele scheiding van Kerk en staat konden worden opgevat als bedreigingen voor religieuze waarheid en voor de morele structuur van de samenleving. De Nederlandse canonist Ton Meijers typeert de negentiende-eeuwse katholieke benadering als een „waarheidsrechtsleer”, waarin niet de autonomie van het individuele geweten maar de aanspraak van religieuze waarheid het uitgangspunt vormde.

Classificaties als personalisme of fenomenologie, die vooral met latere katholieke filosofie worden verbonden, zijn voor Mirari Vos daarom niet zonder nadere historische onderbouwing toepasbaar.

Receptie en verdere ontwikkeling

Hoewel Lamennais in Mirari Vos niet bij naam werd genoemd, werd het document door hem en zijn omgeving in verband gebracht met de standpunten van L'Avenir. Lamennais aanvaardde de encycliek aanvankelijk, maar het conflict werd niet definitief opgelost. Na zijn publicatie van Paroles d'un croyant volgde in 1834 de encycliek Singulari nos, waarin zijn latere werk rechtstreeks werd veroordeeld.

De kwesties die in Mirari Vos aan de orde kwamen, bleven gedurende de negentiende eeuw een rol spelen in de verhouding tussen de katholieke Kerk en het politieke liberalisme. Onder paus Pius IX kwamen soortgelijke vraagstukken opnieuw aan bod in Quanta cura en de daaraan verbonden Syllabus Errorum van 1864.

In de twintigste eeuw veranderde de katholieke leer over de burgerlijke godsdienstvrijheid. Het Tweede Vaticaans Concilie verklaarde in Dignitatis humanae (1965) dat de menselijke persoon een burgerlijk recht heeft op godsdienstvrijheid, verstaan als vrijwaring van dwang door personen, maatschappelijke groepen en de overheid binnen de grenzen van een rechtvaardige openbare orde. De verhouding tussen deze verklaring en de negentiende-eeuwse pauselijke uitspraken vormt sindsdien onderwerp van theologische en historische interpretatie. John T. Noonan behandelt de ontwikkeling als een wezenlijke verandering in de katholieke morele leer over gewetens- en godsdienstvrijheid. Calo analyseert dezelfde geschiedenis als onderdeel van een langere herformulering van de katholieke verhouding tot de liberale rechtsorde. Meijers spreekt in dit verband van een wending in de katholieke benadering van godsdienstvrijheid.

Literatuur

Zie ook

Zie de categorie Mirari Vos van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.