| Pasbogaard | ||
|---|---|---|
| Locatie | ||
| Plaats | Sint-Oedenrode, Nederland | |
| Status en tijdlijn | ||
| Eerste vermelding | 1402 | |
| Gesloopt in | na 1797 | |
Pasbogaard of Pas-Bogaert was een kasteel in de Nederlandse plaats Sint-Oedenrode. Er zijn geen zichtbare restanten van het kasteel bewaard gebleven.
Jan van de Wetering kreeg Pasbogaard rond 1402 in erfpacht van Jan van Roermont. Hierna volgde Leunis van Rijsingen als eigenaar, gevolgd door de families Van Rutt, Van der Cluyten, Coenen en Van Lancvelt.
De erfgenamen van Goyaard van Lankveld droegen Pasbogaard in 1554 over aan Sibert van Plees, die getrouwd was met Odilia van Lankveld. Zij droeg in 1555 het kasteel weer over aan Joanna Oudaert, die het in 1569 per testament naliet aan haar nichtje Adriana Dobbelstein.
Adriana Dobbelstein (†1614) was sinds 1566 beleend met kasteel Jekschot en woonde daar met haar man Willem van Halmale (†1594). Tijdens oorlogshandelingen in 1580 werd Jekschot verwoest, waarna het stel op Pasbogaard ging wonen. Omdat de twee echtelieden kinderloos bleven, bepaalde Adriana in haar testament dat Anna van Hambroeck (1590-1660) het kasteel zou erven.
Anna van Hambroeck liet in 1619 de rechten die op het verwoeste kasteel Jekschot rustten, overplaatsen naar het kasteel Pasbogaard. Ze moest echter jarenlang juridische procedures voeren tegen de schout en schepenen van Sint-Oedenrode over de rechten die bij de heerlijkheid Jekschot hoorden. Dit leidde bij haar tot financiële problemen, waardoor zij in 1658 Pasbogaard moest verkopen.
Anna woonde niet altijd zelf op het kasteel: zo werd het vanaf 1648 bewoond door jonker Cornelus Proeninx gezegd van Deventer. Hij was kwartierschout van Peelland.
De nieuwe eigenaar in 1658 was rentmeester Izaack van Battem. Na zijn dood in 1669 erfden zijn dochters Catharina en Wilhelmina het kasteel. Zijn weduwe Ermgard Sloot kreeg het vruchtgebruik en mocht er dus blijven wonen.
Omdat de twee dochters de schulden van hun vader niet afbetaalden, bepaalde de Raad van State dat Pasbogaard gerechtelijk moest worden verkocht. Hierdoor werd jonker Michiel Anthony de Jeger in 1684 de nieuwe eigenaar van Pasbogaard.
In 1777 verkocht Carel de Jeger zijn derde deel van Pasbogaard aan Jan-Willem van Nijhuijs. De twee andere eigenaren vorderden echter nog datzelfde jaar het verkochte deel terug. Hierna volgden diverse eigenaren elkaar op.
Van 1766 tot 1792 werd het bouwhuis bewoond door de agrariër Aard van de Mosselaer. Hij huurde deze boerderij inclusief de landerijen.
Armandus Henricus Louwere verkocht Pasbogaard op 16 oktober 1797 aan Godefridus Coppens. Het hoofdgebouw werd hierna afgebroken, terwijl een van de bijgebouwen werd omgevormd tot woning. De boerderij met stallen werd later afgebroken.
Het kasteelterrein is uiteindelijk overbouwd geraakt en er zijn geen zichtbare restanten van Pasbogaard bewaard gebleven.
Volgens een beschrijving uit 1402 bestond Pasbogaard uit een huis met erf en schuur, boomgaard, beemden en een brug. Het adellijke goed was gelegen tussen de Dommel en een waterloop met de naam 'die Vrede'.
Volgens 18e-eeuwse bronnen was het omgrachte Pasbogaard een adellijk slot.
De naam Pasbogaard is een samentrekking van 'pas' (weidegebied) en 'bogaard' (boomgaard).